EEN MUSEUM IS JARIG


Onlangs was ik in Keulen en bezocht daar het Museum Ludwig. Het bleek, dat daar iets te vieren viel. Onder de naam: „Wir nennen es Ludwig,“ werden drie belangrijke gebeurtenissen herdacht:
# in 1946 schonk de jurist Josef Haubrich zijn kunstverzameling aan de stad Keulen;
# in 1976 schonk het echtpaar Peter en Irene Ludwig-Monheim 350 kunst-werken aan dezelfde stad ;
# en in 1986 werd het nieuwe Wallraf-Richartz-Museum/Museum Ludwig geopend.
Om bij al deze gelegenheden stil te staan, was het Museum Ludwig op het idee gekomen om vijfentwintig kunstenaars en kunstenaarsgroepen uit te nodigen voor het vervaardigen van nieuw werk, dat dan in het museum zou worden tentoongesteld. Voorwaarde voor het te maken werk was, dat het op enigerlei wijze betrekkking zou moeten hebben op het museum. Dus: op het gebouw zelf, op een kunstwerk in het bezit van het museum, op een schenker.

OVER DE KUNSTENAARS EN HUN WERKEN


Jürgen Stollhans dook de kelder van het Museum Ludwig in en liet zich inspireren door de geweldige buizen van de klimaatbeheersingsinstallatie van het museum;

Ai Wei Wei ging uit van de ready-mate van Marcel Duchamp door een fietsen-installatie in de vorm van een cirkel te fabriceren; 

The Guerilla Girls – ontstaan te NewYork in 1985 – hielden zich bezig met het instituut museum in het algemeen en niet zo zeer met het Museum Ludwig. Zij vechten nog steeds tegen de discriminatie van vrouwen in het kunst- en kultuurbedrijf. Volgens hen valt er nog veel te verbeteren. Veel werk van vroeger was er van deze groep te zien;

Georges Adéagbo is door het museum hoog op het paard getild. Her en der kwam ik in het museum installaties van hem tegen. Voor mij behoort hij tot de groep van (problematische) verzamelaar-kunstenaars. Hij zoekt alledaagse en kulturele objekten bij elkaar, die hij dan op zijn manier samenvoegt. Echt onder de indruk van zijn werk was ik niet;

Veel boeiender was de installatie van Ahmet Ögüt – genaamd: Bakunins Barricade. Ik vond dadelijk, dat dit werk op een totaal verkeerde plaats was terecht gekomen – en wel voor de ingang van de tentoonstelling: „Wir nennen es Ludwig“. Hij had volgens mij nog een tweede barrikade moeten vervaardigen en dan daarmee zowel de ene, als de ander toegang van het Museum Ludwig moeten  afsluiten. Dat zou een goede ingreep op dit museum zijn geweest. De kunstenaar Ahmet Ögüt greep terug op het jaar 1849 als in Dresden opstanden uitbraken om koning Friedrich August II aan de kant te zetten. Michail Bakoenin stelde toen voor om schilderijen uit de kunstverzamelingen van Dresden aan de opgerichte barrikaden te bevestigen om zodoende de troepen van de koning te kunnen tegenhouden. Dit zal  wel geen enkel effekt op de soldaten van deze koning hebben gehad, want die zullen toen beslist geen onderricht in kunstgeschiedenis en/of –beschouwing hebben gehad. Ahmet Ögüt heeft wel kunstwerken uit het Museum Ludwig aan zijn installatie bevestigd o.a. van: Alexej Jawlensky (Märchenprinzessin mit Fächer – 1912); Andy Warhol (Porträt Peter Ludwig – 1980); Karl Schmidt-Rottluf (Frau mit Mädchen – 1933); Oskar Kokaschka (Ansicht der Stadt Köln vom Messetürm aus – 1956); Suzanne Valadon (Frauenbildnis – 1929).

Pratchaya Phinthong hield zich bezig met de situatie van vluchtelingen in Keulen. Een tekst daarover moest aanwezig zijn, maar ik kon deze nergens ontdekken. Wel een kleiner en een groter etensbord. Die had hij gekregen van vluchtelingen, tijdens een gezamelijk eten in hun onderkomen.

Aan de bijdrage van Maria Eichhorn is vooraf weinig denkwerk verricht, waarschijnlijk wel tijdens de uitvoering ervan. Naar mijn mening stelde haar tentoongestelde werk niet zo veel voor. Zij gebruikte haar budget om samen met het ambtenarenapparaat van de stad Keulen voor haar een tijdelijke baan bij het Museum Ludwig te scheppen en dat kwam voor elkaar. Zij liet alle betreffende papieren hierover in een vitrine zien. Volgens haar kan geen maatschappij zonder dokumenten. De grap aan het geheel was, dat zij haar budget – anders gezegd haar loon – over heeft gemaakt naar de anarchosyndikalistische Basisgewerkschaft: Freie Arbeiterinnen und Arbeiter-Union, die zich inzet voor de rechten van werkneemsters en de sociale revolutie, en wel door middel van staking, sabotage en direkte actie. Ik wens de unie in ieder geval veel succes toe! De staat in dit geval de stad Keulen zal van te voren wel niet hebben geweten, dat Maria Eichhorn dit van plan was te doen, of het is oogluikend toegestaan vanuit het motto: dat van deze unie geen gevaar valt te duchten.

Bij Minerva Cuevas gaat het om kunst als actieve bijdrage tot maatschappelijke verandering. Zij stelt een installatie tentoon, die teruggrijpt op Mondriaans: Tableau 1. Het geheel zag er boeiend uit.

De Villa Design Group – in 2011 te Londen opgericht – stelde de beroepspraktijk van de jurist Josef Haubrich centraal. Met de rechtsstoel kon ik mij nog wel vereenzelvigen, maar met de twaalf gipsfiguren in het geheel niet. Hoe kon men in zo´n zaal, waar het plafond zo gezegd meters hoog zit, zulke figuurtjes op een tafel neerzetten. De installatie kwam bij mij wat Micky Mouse-achtig over.

In de zelfde zaal was de tent van de in Nederland wonende Meschac Gaba opgesteld. Deze was uitgevoerd in de kleuren van de door hem ontworpen multinationale vlag. De tent diende als ruimte om creatief en spiritueel aan de slag te gaan. Verder verwees deze naar een ruimte ter bescherming van bijv. vluchtelingen.  Volgens mij had de tent beter op de kerstmarkt, vlakbij het museum gepast.

Op de tentoonstelling „Wir nennen es Ludwig“ kon ik vaststellen, dat in heel wat bijdragen het sociaal/maatschappelijk  element ruimschoots aanwezig was. Echter echt kritisch over  Peter Ludwig (1925-1996) was niemand, behalve Hans Haacke met zijn werk uit 1981: Der Pralinenmeister.  Tussen al het nieuwe werk was er ook werk aanwezig, dat al in vroegere tijden was ontstaan. Zoals werk van de al genoemde The Guerilla Girls, Andrea Fraser, Candida Hofer, Gerhard Richter ... en dus ook van Hans Haacke.
Hans Haacke – geboren te Keulen in het jaar 1936 en  al heel lange tijd wonende in New York – is een belangrijke conceptueel-kunstenaar, die politiek geladen uitspraken niet schuwt. In dem Pralinenmeister – 14 ingelijste zeefdrukken – laat Hans Haacke het doen en laten van Peter Ludwig en de Monheim Gruppe zien.

HET ECHTPAAR LUDWIG-MONHEIM

Toen Peter Ludwig kunstgeschiedenis studeerde in Mainz ontmoette hij Irene Monheim (1927-2010), die dat zelfde studeerde. Na verloop van tijd werden die twee  een echtpaar (1951). Irene Monheim was de dochter van de eigenaar van een chocoladebedrijf uit Aken. In 1952 werd Peter Ludwig er directeur van. Dit bedrijf was zo´n kleintje nog niet, want het had vertakkingen over grote delen van de wereld o.a. behoorde het in Nederland bekende merk „van Houten“ er  toe.
Peter had blijkbaar in de chocoladehandel veel succes, want er bleef genoeg geld over om een grote moderne-kunstverzameling aan te leggen. In het begin – in de jaren zestig van de vorige eeuw – waren dat werken van Pop Art-kunstenaars. Peter Ludwig zei eens: „Door de activiteiten van het echtpaar Ludwig is op de Pop Art-markt beslissend een stempel gezet.“ Volgens mij was hij een ijdeltuit, want op heel wat musea prijkt tegenwoordig zijn naam: bijvoorbeeld in Aken, Keulen, Wenen, Budapest, Koblenz. Vele andere musea hebben kunstwerken van het echtpaar ontvangen. En verder veranderde in 1986 de naam Monheim in Ludwig Schokolade. Sinds 1998 is het een onderdeel van de Krüger Gruppe – o.a. een van de grootste zoetstoffenbedrijven ter wereld.
In die veertien zeefdrukken van Hans Haacke kon ik o.a. lezen, dat Peter Ludwig zoveel mogelijk het goedkoopste personeel tegen de allerlaagste arbeids-voorwaarden aan het werk had. Dat personeel bestond voor een groot gedeelte uit jonge, (ongehuwde) buitenlandse vrouwen. Die werden ondergebracht in tehuizen van het chocolade-bedrijf. Mocht een vrouw zwanger raken, dan kon zij dadelijk ophoepelen onder het motto: wij zijn een productiebedrijf en geen sociale dienstverlener.
Verder las ik, dat alle chocolade van het bedrijf Monheim met al zijn merken op de Duitse markt – dus:  chocoladerepen, pralinen en andere chocolade-artikelen – een cacaogehalte van 25%-54% bezat. De vraag, die dadelijk bij mij opkwam, was: waaruit bestonden die overige procenten. Hans Haacke ging daarop niet in. Voor mij stond wel vast, dat dit percentage zoveel mogelijk uit geraffineerde suiker zal hebben bestaan. Nu mag men denken over  geraffineerde suiker wat men wil, maar volgens mij is deze suiker het meest verhandelde en geconsumeerde verslavingsmiddel (wel legaal) – met alle kwalijke gevolgen vandien – op de wereld.
Concluderend mag ik dus vaststellen, dat de kunstverzameling(en) van het echtpaar Ludwig-Monheim door uitbuiting en op kosten van anderen tot stand is gekomen, en wel door:
# uitbuiting van en op kosten van een groot gedeelte van de arbeidskrachten van het bovengenoemde chocolade-bedrijf;
# uitbuiting van en op kosten van de arbeidskrachten, die op de cacao-plantages, die het chocolade-bedrijf de cacao leverden, werkten. Van Eerlijke Handel zal het echtpaar Ludwig-Monheim destijds wel niets hebben geweten;
# door handel in het verslavingsmiddel suiker – mooi verpakt in cacao;
# wat voor geraffineerde suiker het chocoladebedrijf gebruikte, dat ontgaat aan mijn waarneming. Als er ook geraffineerde rietsuiker zal zijn gebruikt, dan mag ik ervan uit gaan, dat de arbeidskrachten op de rietsuikerplantages ook geen leuk leven zullen hebben gehad. Dus ook deze arbeidskrachten werden uitgebuit.

TOT SLOT

Ik vond het jammer, dat geen enkele kunstenaar of kunstenaarsgroep op de gedachte is gekomen om het Museum Ludwig totaal in te pakken met een laag Eerlijke Handel-chocolade. Of dat het Museum Ludwig in plaats van de Villa Design Group de Turkse meesterbanketbakker uit de Keupstraße 84 te Keulen-Mülheim had uitgenodigd voor het maken van een installatie. Bij hem in de zaak staan altijd de schitterendste bouwwerken, ik bedoel taarten!
(„Wir nennen es Ludwig“  27.08.2016 – 08.01.2017)


FOLKERT SIERTS

Gebruikte literatuur:
Das neue Köln 1945-1995. Kölnisches Stadtmuseum, 1995.
Dr. M.O. Bruker/Ilse Gutjahr: Zucker, Zucker ...  Krank durch Fabrikzucker. emu-Verlag, Lahnstein, 2004.
En verder: Wikipedia.