HENK HELMANTEL – TENTOONSTELLINGSOPENING ALS KERKDIENST


MIJN ALLEREERSTE CONTACT MET HENK HELMANTEL

Het moet in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn geweest. Evert Musch (1918-2007) moedigde ons (studenten van de lerarenopleiding van Academie Minerva) aan om een tentoonstelling van een oud-leerling van hem – ene Henk Helmantel (1945) – in de Loppersumse Petrus&Pauluskerk te gaan bezoeken.
Op een mooie zomerdag besloot ik daaraan gehoor te geven. Ik fietste van Winsum richting Loppersum. Zo ongeveer halverwege – in Westerwijtwerd – werd ik door een paar op straat voetballende jongens de verkeerde kant opgestuurd. Achteraf bleek, dat ik op een doodlopende weg was terechtgekomen – deze eindigde bij de spoorlijn Groningen-Delfzijl. Ik wilde die voetballende jongens geen plezier doen, dus ik nam mijn fiets aan de hand en ging op de spoordijk langs de spoorstaven lopen. Volgens horenzeggen moet zoiets levensgevaarlijk zijn. Ik kan dus met de hand op mijn hart openlijk verklaren, dat ik toendertijd mijn leven in de waagschaal heb gesteld om werk van Henk Helmantel te kunnen bekijken.
Onderweg op de spoordijk werd ik aangehouden door een mannetje van de spoorwegen. Dat vroeg mij of ik wist wat ik deed en hoe onverantwoordelijk ik wel bezig was. Volgens mij liep ik op voldoende afstand van de spoorstaven en ik had een paar uitstekende oren. Hij wilde mij niet terugsturen, want ik was zo ongeveer al in Stedum beland. En vanaf dat dorp fietste ik verder richting Loppersum. Op verre afstand was de Petrus&Paulus-kerk al te zien. Ik was verbaasd, dat een dorp kleiner dan Winsum zo´n kerk bezat. Ik troostte mij met de gedachte, dat Winsum tenminste twee korenmolens en het Winsumerdiep had.
In de kerk ontmoette ik Evert Musch vergezeld van zijn oud-leerling Henk Helmantel. Even wat praten en vervolgens liep ik langs de tentoongestelde kunstwerken, die volgens mijn herinnering alleen maar kerkinterieurs waren. Ik vond deze goed-ambachtelijk geschilderd en speciaal de perspectief had mijn belangstelling. Hoe kreeg iemand, die de vrije afdeling van de academie had gedaan, die zo goed voor elkaar. Ik zelf had tijdens mijn opleiding als tekenleraar in het vak perspectief twee keer examen gedaan. De eerste keer haalde ik een drie en een jaar later met een geweldige stijging een vijf. Niet te begrijpen, dat iemand met een HBS-B-opleiding zulke cijfers in zo´n vak kon halen. Ik dacht toen waarschijnlijk, dat ik het wel zonder de perspectief kon doen. En volgens mij gebruikte ik toen potloden met een te dikke punt, want ik kwam met de getrokken lijnen nooit goed uit.
De tentoongestelde kunstwerken deden mij overigens niet zoveel, mijn gevoel werd er niet door geraakt. Op de terugweg naar Winsum ging ik niet weer op de spoordijk lopen, en die voetballende jongens kwam ik in Westerwijtwerd niet opnieuw tegen.
Later op de academie brandde de diskussie wel eens los over de twee toen al wel bekende "realisten," te weten: Henk Helmantel en Matthijs Röling. De voorkeur lag wel bij de laatste.

Vanaf die jaren zeventig bleef ik Henk Helmantel op verre afstand volgen. Dat veranderde wat, toen Hans van Seventer en zijn gezin in 1982 naast mij kwamen wonen. Hij richtte in de jaren tachtig van de vorige eeuw Art Revisited op. Zowel dit bedrijf als Henk Helmantel hebben wederzijds veel aan elkaar te danken gehad en dat zal nog steeds wel het geval zijn. Vaak moest ik van Hans van Seventer horen, dat als hij mij zag hij dadelijk aan Henk Helmantel moest denken. Volgens hem hadden wij gemeenschappelijke eigenschappen/kenmerken. Iets daarvan zal wel waar zijn, want Henk en ik zijn beiden uit de klei getrokken Groningers; verder hebben wij dezelfde gereformeerde achtergrond en niet te vergeten wij beiden hebben de zelfde kunstacademie bezocht. Misschien zag Hans van Seventer echter wel veel meer dan ik wilde geloven.
Als ik er nu zo over nadenk, moet ik zeggen dat de verschillen tussen ons beiden wel aardig groot zijn: ik zal nooit stilleven-, kerk of kloosterinterierschilderijen gaan maken… Verder ben ik al op jonge leeftijd uit de Gereformeerde Kerk gestapt, maar ik huldig de stelregel: éénmaal gereformeerd altijd gereformeerd. En zo zullen er nog wel een heel aantal andere verschillen tussen ons beiden zijn.

OPENING

Op donderdagavond 4 juli vond de opening van Henk Helmantel´s tentoonstelling in de Martinikerk plaats. Zoiets zou de Stichting Martinikerk Groningen vaker moeten gaan doen. De kerk raakt dan eens vol.
Drie voorgangers waren er. Als eerste had Ds. Arie de Leeuw het over deze wel heel bijzondere avond: Het was drieenveertig jaar geleden, dat Henk Helmantel voor het eerst in de Martinikerk had tentoongesteld. Hij wilde de aanwezigen doen laten geloven, dat er een éénheid van stad en provincie zou bestaan. Die is historisch gezien er nooit geweest en die zal er volgens mij ook wel nooit komen of wij heffen de provincie op en maken van het geheel de stad Groningen! De laatste is er steeds op uit geweest om haar eigen belangen veel belangrijker te vinden dan die van de ommelanden. Echte konkurrentie werd niet toegestaan. Verder zei hij, dat Andreas Blühm het openingswoord zou voeren. Die mocht worden gezien als een bruggenbouwer tussen het Groninger Museum en het noordelijk realisme.
Als tweede sprak Andreas Blühm (1959) lovende woorden over het werk van Henk Helmantel uit. Volgens hem voldoet goede kunst aan de volgende kenmerken: ten eerste, dat zij invloed uitoefent op de ruimte, waarin zij wordt tentoongesteld en ten tweede, dat zij invloed uitoefent op de waarneming van degene die naar deze kunst kijkt. Volgens Andreas Blühm beantwoordt het werk van Henk Helmantel aan deze twee kenmerken.
Als derde kwam de kunstenaar zelf ook aan het woord en liet de kerkgangers de laatste strofe van gezang 44 uit het Liedboek voor de Kerken 1973 zingen – begeleid door Sietze de Vries (1973) op het orgel. Die daarvoor reeds de aanwezigen met Dietrich Buxtehude (1637-1707) en Johann Sebastian Bach (1685-1750) had verrast.

GETALLEN

Over dat getal drieenveertig moest ik maar blijven nadenken. Waarom na drieenveertig jaar weer een Henk Helmanteltentoonstelling in de Martinikerk. Wat voor diepere betekenis zat daar achter. Ja, het is het veertiende priemgetal en het bestaat uit een vier en een drie.
In Matthéus 1. 1-17 worden van Abraham tot en met Christus veertien, veertien en nog eens veertien namen opgenoemd – of het precies klopt weet ik niet, want ik heb al die namen niet geteld..
Het getal vier is dat van de vier voornaamste poortwachters (1 Kronieken 9. 26); de vier windstreken; de vier evangelisten; de vier dieren met elk zes vleugels (Openbaringen 4. 8); de vier engelen op vier hoeken van de aarde die de vier winden van de aarde in bedwang houden (Openbaringen 7. 1).
Het getal drie komt in de droom van de overste der schenkers en ook in die van de overste der bakkers voor (Genesis 40. 1-23). Nadat Petrus Jezus drie keer heeft verloochend, kraait de haan drie keer. Op de derde dag na zijn dood aan het kruis staat Jezus op uit het graf.
Vier plus drie is zeven. Dit getal komt vaak in de Bijbel voor. In zes dagen plus een rustdag schiep God volgens het boek Genesis de hemel en de aarde – die zes dagen zijn twee drietallen. Noach werd opgedragen om van de reine dieren zeven paar mee te nemen in de Ark (Genesis 7. 2). In Genesis 41 droomt de farao van Egypte over zeven koeien en zeven aren. Jozef legt hem uit wat er in de toekomst zal gebeuren. Er zullen eerst zeven vette en vervolgens zeven magere jaren in aantocht zijn. De priester van Midjan heeft zeven dochters (Exodus 2. 16). Bij de val van Jericho moesten de Israëllieten op de zevende dag zeven keer om die stad rondgaan. Zeven priesters elk met een bazuin moesten bij dit gebeuren voor de ark aan lopen. Salomo bouwde zeven jaar aan de tempel (1 Koningen 6. 38). In Spreuken 6. 16-19 staan de zeven zaken, waaraan God een ontzettende hekel heeft, vermeld. In Matthéus 18. 21-22 staat, dat men een ander zeventig keer zeven maal moet vergeven. En in Openbaringen treft men het getal zeven wel heel vaak aan. Hier kan men lezen over de geesten voor Gods troon, sterren, kandelaren, engelen, gemeenten, fakkels, zegels, bazuinen, koningen, hoorns, plagen, donderslagen, ... De menora (kandelaar) heeft zeven armen.
Vier min drie is één: welke de Enige en Drie-enige God symboliseert.
Vier keer drie is twaalf. Jakob had twaalf zonen en Israël twaalf stammen. Genesis 17. 20 spreekt over de twaalf vorsten van Ismaël. In Exodus 15. 27 staat, dat de Israëllieten in Elim bij twaalf waterbronnen aankomen. Op elke sabbat moet een priester twaalf tarwebroden in de tempel op een gouden tafel voor God neerleggen (Leviticus 15. 5-8). In Jozua 4. 3-9 moeten twaalf mannen uit elke stam één elk een steen uit de Jordaan halen als herinnering aan de tocht door de Jordaan. Ook in de Jordaan zelf worden vervolgens nog twaalf stenen neergelegd. En dan zijn er de twaalf discipelen/apostelen. Het getal twaalf probeert in Openbaringen met dat van zeven te wedijveren Men kan hier lezen over sterren, poorten, apostelen van het nieuwe Jeruzalem, fundamenten, edelstenen, vruchten, honderdvierenveertigduizend uitverkorenen, ...

Ik vroeg mij later ook af, waarom er éénendertig kunstwerken van Henk Helmantel in de Martinikerk waren tentoongesteld. Het getal is het elfde priemgetal en van elf zegt men, dat het het gekken/dwazengetal is. In het carnavalgebeuren draait alles om het getal 11. Het getal wordt ook als een meestergetal gezien. En 11 is een dubbele 1. Genesis 37. 9 vertelt ons over Jozefs tweede droom en wel over de zon, de maan en elf sterren. In Marcus 16. 14 staat, dat Jezus aan zijn elf discipelen verscheen.
Drie plus één is vier, drie min één is twee en drie gedeeld door één is drie. Over deze getallen heb ik hierboven reeds iets gezegd.
Samenvattend moet ik vaststellen, dat er achter de tentoonstelling wel een heel diepe betekenis schuil ging. Waarschijnlijk hebben de organisatie en de kunstenaar hier nooit bij stil gestaan.

REACTIES OP DE TENTOONSTELLING

In de maand augustus bekeek ik het tentoongestelde werk opnieuw en wel twee keer. Al snel bleek mij, dat de logica achter de keuze van het tentoongestelde werk mij toch wel ontging. Wilde Henk Helmantel een beperkt overzicht van wat hij in zesenveertig jaar bij elkaar had geschilderd, geven? Of wilde hij zijn ontwikkeling, die hij in al die jaren had meegemaakt, aan het publiek tonen?
Bij iedere tentoonstelling die ik bezoek, kijk ik in het gastenboek – tenminste als dat aanwezig is. Zo ook deze twee keren, misschien lag daar het antwoord op mijn vraag opgesloten. Op een enkele kritische noot na, kreeg ik te lezen wat de schrijvers/schrijfsters van Henk zijn werk vonden: zij hadden ervan genoten, het bewonderd, waren trots op Henk…
Het werk werd als mooi, prachtig, schitterend, fantastisch, bijzonder, geweldig onvoorstelbaar, indrukwekkend, geniaal, adembenemend, super, magistraal, uniek, grandioos, perfectionistisch, ... ervaren. Iemand wilde wel een schilderij van Henk in huis aan de wand hebben. Een ander was eens met haar vriend in Westeremden geweest en toen samen met Henk Helmantel op de foto gekomen. Die foto hing nog steeds bij haar in de woonkamer – nog even en Henk heeft zijn groupies. Een volgende persoon wilde wel over Henk zijn schouder meekijken. Eén was voor deze tentoonstelling speciaal naar Groningen gekomen en die vond het een eer om van het werk te mogen genieten.
Samengevat mag ik vaststellen, dat Henk Helmantel een grote schare van mensen, die hem bewonderen, achter zich heeft staan. De keuze van de stichting Martinikerk is dus wel een juiste geweest. Een hoop betalende bezoek(st)ers hebben de kerk bezocht en dat heeft geld in het laadje gebracht!

OVER HET WERK

Inleiding
Uit zesenveertig jaar schilderkunst stamden uit de volgende jaren de tentoongestelde werken – tussen haakjes het aantal: 1967 (2); 1968 (2); 1985 (1); 1988 (1); 1993 (1); 1997 (1); 1998 (1); 2000 (1); 2001 (4); 2003 (2); 2004 (1); 2005 (1); 2006 (2); 2007 (1); 2009 (1); 2011 (3); 2012 (3) en 2013 (2). Samengevat kon hier niet echt van een overzichtstentoonstelling worden gesproken. Van 1968 tot 1985 was geen enkel werk aanwezig.
De werken konden als volgt worden ingedeeld: interieur van Godshuizen (12); interieur van een huis (1); portret (4); stilleven (13) en landschap (1). Ik kon dus op de tentoonstelling vaststellen, dat Henk Helmantel vooral een interieur- en stillevenschilder is. Volgens eigen zeggen is hij niet zo´n goede portretschilder. Of hij na 1967 nog ooit een landschap heeft geschilderd! Jawel, op zijn website vond ik er nog ééntje: Wegtrekkende sneeuwbui tegen zonsondergaang bij Westeremden (2002). Of hij er nog meer heeft gemaakt, dat is mij niet bekend.
Een ontwikkeling was wel te zien. In een hoekje hing op één van de door het bedrijf Zetstra gemaakte schotten het enige landschap: Gezicht op Leermens (1967) en aan de andere kant op een schot in het koor het stilleven: Bloemstilleven (in de kamer in arbeidershuis bij de Bottemaheerd) (ook uit 1967). Wat er daarna met Henk Helmantel is gebeurd, daarover weet ik niets. In 1968 schilderde hij ineens geheel anders. In Gezicht op Leermens en Bloemstilleven – het laatste werk wat knullig geschilderd, de perspectief van het tafeltje klopt bijvoorbeeld niet ... proefde ik de invloed van Evert Musch. Zelfportret (1968) deed mij aan werk van Dick Ket (1902-1940) denken. In 1968 ontstaat ook: Glasstilleven – alsof er daarna nooit meer een belangrijke ontwikkeling bij Henk Helmantel heeft plaatsgevonden. Op de werken uit 1967 kon ik losse schildertoetsen waarnemen. Op al het latere werk is alles bijna vlak gestreken. Een huisschilder zou het niet beter kunnen doen.
De keuze voor de tentoongestelde werken blijft tot vandaag aan de dag voor mij onduidelijk, en de volgorde ervan ook. Het zelfportret uit 1968 had toch veel beter naast dat uit 2013 kunnen hangen om beide goed met elkaar te kunnen vergelijken. Waarom zo eenzaam en alleen het werk: De crypte van de Dom in Speyer (2013) tentoon te stellen! Zo iets zou men veel beter achterwege kunnen laten. Het voegde aan de tentoonstelling niets toe. Ergens was er nog een plek en daar kon men dat werk blijkbaar wel kwijt. Overigens was het licht daar tamelijk slecht.

Interieur
Voor in het koor aan de Zetstra-schotten hingen op de tentoonstelling drie grootformatige schilderijen – alle interieurs van kerken. Met in het midden: het koor van de Maartenskerk in Bozum (2003). Door de toegepaste centraalperspectief kon men het gevoel krijgen, of men er wel dadelijk in kon stappen. Vanwege het licht vond ik het werk: De Pieterskerk in Utrecht wel het interessantst. Het derde werk: De zuidbeuk van de Grote of Nicolaaskerk in Monnickendam overtuigde mij niet zo. In beide werken had Henk Helmantel de perspectief met twee vluchtpunten gebruikt. In het laatste was die volgens mij niet zo goed gelukt of die ene kant van die zuidbeuk was totaal verzakt.
Ik hou wel van symmetrie, maar in de onderlinge opstelling van deze drie werken was deze niet aanwezig. Voor de zuidbeuk van de Grote of Nicolaaskerk in Monnickendam had men beter een ander werk kunnen kiezen. En wel één met het rechter vluchtpunt – vanuit het standpunt van de waarnemer gezien – veel meer naar rechts genomen.
Het boeiendst van alle dertien interieurs vond ik het werk: Kooromgang van de Sainte-Foy in Conques Frankrijk (2003). Krijg al die cylindervormen perspectifisch gezien maar even goed voor elkaar!
Waarom schildert Henk Helmantel kerk&kloosterinterieurs? Vaak kille en donkere gangen. Interieurs, alsof de iconclasten (beeldenstormers) er huis hadden gehouden. Alles dood en doodstil, geen levend wezen te bespeuren. Bij Pieter Jansz. Saenredam (1597-1665) ziet men op zijn kerkinterieurs her en der nog mensen aanwezig.
Hoe krijgt hij dat allemaal voor elkaar? Volgens mij moet hij een fotografisch geheugen hebben, en/of hij maakt (daarnaast) nog een hele hoop schetsen en aantekeningen, of hij gebruikt gewoon een fototoestel.
Volgens mij had hij veel beter trompe-l´oeil (gezichtsbedrog)schilder kunnen worden: grote wanden beschilderen; fresco´s in ruimtes aanbrengen, zodat die veel groter zouden kunnen lijken ...

Stilleven
Men neemt een grote tafel of iets dergelijks, schuift die tegen een wand en laat vervolgens Henk Helmantel aan het werk. Die zet op zoiets al jaren lang allerlei voorwerpen, zoals potten, kannen, glaswerk, boeken, mappen, af en toe eieren, fruit en groente, ... en gaat deze dan op paneel schilderen. Zoals al gezegd, er is bij hem sinds 1968 weinig veranderd. Hij maakt nog braaf en met engelengeduld zijn stillevens. Zit er dan in deze werken onderling geen verschil. Jawel, in de keuze en in de rangschikking van de voorwerpen.
Bij mij vielen de twee volgende werken op: Hommage aan Kees Stoop (2006) en Jacobus, houten beeld uit Gethsemané–groep (2005). Nu eens geen potten, kannen enzovoorts, maar stillevens als eerbetoon: de eerste aan een collega-kunstenaar en de tweede aan Jacobus – discipel van Jezus.
Het houtenbeeld op het laatste schilderij had wel minder ruimte om zich heen kunnen gebruiken. Een vergrote Jacobus had ook op een veel groter paneel kunnen worden geschilderd, dan was de uidrukking van het beeld waarschijnlijk veel beter tot haar recht gekomen.
Op het eerst genoemde werk zag ik een kommetje met – als ik het goed heb gezien – twee granaatappels. Die appels symboliseerden rijkdom en vruchtbaarheid. Daar boven hing zoiets als een oorkonde, maar het kon ook wel als een (abstracte) vorm in het schilderij worden beschouwd. Voor Henk Helmantel moet Kees Stoop wel een heel belangrijke kunstenaar zijn, want anders had hij dit werk nooit gemaakt.

Kort overzicht van de geschiedenis van het stilleven
Bij een stillevenschilderij gaat/ging men er te vaak vanuit, dat er een hoop op moet/moest staan, denk maar aan die schilderijen uit de zeventiende eeuw met voedsel, met dooie vissen en vogels enzovoorts. Ik heb daar een geheel andere mening over. Op een stillevenschilderij kan men zich veel beter beperken, dus zet er maar de afbeelding van één voorwerp op. In zo verre valt Henk Helmantel hier te prijzen. In zijn stillevens beeldt hij niet teveel voorwerpen af.
De geschiedenis van het stilleven gaat terug tot in de Romeinse tijd. Tijden lang werd het schilderen van stillevens als iets minderwaardigs gezien. In de zestiende eeuw ontdekte Pieter Aertsen (1508-1575), dat hij voor de verkoop toch beter stillevens kon gaan schilderen dan zich overgeven aan iets anders. Een hoop van zijn religieuze werken waren tijdens de beeldenstorm verloren gegaan. Zijn zeventiende eeuwse collega´s brachten in de lage landen het schilderen van stillevens tot grote bloei. De roomse kerk was verdwenen als opdraggeefster. Er moest dus een nieuwe markt worden aangeboord en die was aanwezig. In die tijd stroomde het geld Nederland binnen door verschillende soorten handel: zeeroverij, specerijen-, slaven- en bloembollenhandel, ...
Er ontstonden in de stillevenschilderkunst specialisaties zoals: voedsel, fruit en groente-, potten&pannen-, bloemen-, muziekinstrumenten-, vanitas- (stillevens die gaan over het kortstondig verblijf van ieder mens op deze aarde), religieuze stillevens. In de negentiende eeuw zorgde Paul Cezanne ervoor, dat het stillevenschilderen werd bevrijd van overbodige ruis. Hij hield zich alleen bezig met kleur, vorm, compositie enzovoorts, dus geen symbolische verwijzingen naar iets anders meer.
De kubisten gingen nog een paar stappen verder. Het stillevenschilderen werd een geometrisch spel en de collagetechniek werd toegepast. Zo ontstond er iets geheel nieuws.
Hoe moet ik in deze ontwikkeling het werk van Henk Helmantel bezien. Het is duidelijk, dat hij zich baseert op de stillevenschilders uit de zeventiende eeuw – in zijn kerkinterieurs geldt zo ongeveer hetzelfde. Zijn keuze voor de af te beelden voorwerpen is een andere, en aan vanitasstillevens en anamorfosen (waarbij afgebeelde voorwerpen zijn vervormd) waagt hij zich niet.
In de stofuitdrukking is Henk Helmantel bijzonder goed. Al had ik geen zin om in zijn geschilderde broden te bijten. Volgens mij zaten die vol lucht.

Portret
Vier portretten waren op de tentoonstelling aanwezig. Twee zelfportetten en twee portretten van personen, die al lang niet meer op deze wereld onder ons zijn. Te weten: Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) en Jan Lutma (1584-1669). Voor het ene portret gebruikte Henk Helmantel een kopergravure van Joan Muller en voor het andere een ets van Rembrandt (1616/1617-1669).
Het naschilderen van deze portretten was echt niet zo´n grote prestatie. Onduidelijk bleef voor mij het aanwezig zijn ervan op deze tentoonstelling. Het zei mij alleen, dat Henk Helmantel weleens een portret schilderde. Een toegevoegde waarde van deze portretten aan de tentoonstelling was het voor mij in ieder geval niet.
Henk Helmantel kan uitstekend vingers/handen schilderen en dat kan niet iederéén. De door hem geschilderde gezichten kwamen bij mij nogal doods over. Alsof er geen leven meer in zat. Dus portretten, die als stillevens werden geschilderd.

Landschap
Zoals al gezegd, op de tentoonstelling hing als een vreemde eend in de bijt er maar één. Het was een heel goede keuze dit schilderij er neer te hangen, want ik kreeg de grote gelegenheid (ook met behulp van dat andere werk uit 1967 - Bloemstilleven) de verandering in Henk Helmantel´s schildersstijl tussen 1967 en 1968 vast te stellen. Zoals ik al heb vermeld, veranderde zijn stijl ineens. Voor 1968 was hij nog wat impressionistisch bezig en vervolgens is deze manier van werken bij hem totaal verdwenen.


"Christelijke schilder"

Reacties van mensen in het gastenboek lezend, moest ik wel vaststellen dat sommigen in het diepst van hun ziel door Henk Helmantel´s werk werden geraakt. Alsof zij zich door de genade Gods verlicht voelden.
Hoe zie ik dat dan bij Henk Helmantel, een christen en misschien noemt hij zichzelf wel een christelijke schilder, die vooral stillevens en kerk&kloosterinterieurs schildert. Zijn deze werken christelijk of anders gezegd: dragen die de christelijke/bijbelse boodschap van troost, hoop, genade, liefde, ... uit
Een beeldend kunstwerk bestaat in het algemeen niet alleen uit materie, maar ook uit één of twee andere aspecten. Ten eerste zijn daar de beeldelementen (vorm, kleur, compositie, ...) en ten tweede de boodschap, de inhoud, het onderwerp, de diepere betekenis of hoe men dit ook maar mag noemen. Het moet duidelijk zijn, dat een beeldend kunstwerk gewoon een beeldend kunstwerk zonder dat laatste kan zijn. Over een vierkant kan men niet zeggen, dat het christelijk/bijbels is. Men kan bijvoorbeeld van grote en kleine vierkanten spreken. Het wordt vervolgens geheel anders, als men zes vierkanten heeft en die vervolgens zo schuift dat er een kruis ontstaat. Aan een beeldende vorm wordt dan wel even een diepere betekenis gekoppeld. De uitleg, het gevoel erbij kan voor de ene persoon totaal verschillend zijn dan voor de andere. De swastika (hakenkruis) zal in Europa andere gevoelens oproepen dan in India – Adolf Hitler draaide de swastika wel éénachtste slag met de klok mee.
In christelijke kunst moet men vooral niet geloven. Men vindt christelijke kunst mooi of lelijk. Men voelt zich in het geloof erdoor gesterkt of niet. Men voelt zich erdoor ontroerd/tot tranen bewogen … ja of nee. En ik moet vaststellen, dat vele mensen al gauw aan God denken, als zij het werk van Henk Helmantel zien. Waar dat precies aan ligt! Misschien komt het door zijn kerk&kloosterwerken, of zij weten iets meer over het leven en her werk van hem dan ik. Wat deze mensen beleven, beleef ik niet in het werk van hem. Ik ontwaar een hard werkende kunstenaar – in het zweet des aanzijns zult gij uw brood verdienen!


NOG EEN PAAR OPMERKINGEN

In het gastenboek las ik ook, dat mensen het werk van Henk Helmantel geniaal vonden. Mag ik daaruit vaststellen dat zij vinden, dat hij een genie is? En verder, dat het werk mooi, prachtig en schoon werd gevonden.

Volgens mij zal Henk Helmantel zichzelf vast en zeker niet als een genie beschouwen. Hij weet maar al te goed van wie hij het vermogen om te kunnen schilderen, heeft ontvangen.
Misschien had hij wel goed in het gildesysteem van de Middeleeuwen gepast. Had hij als meester een heleboel leerlingen onder zich kunnen hebben. Hij had niets anders hoeven te doen, dan alleen maar opdrachten aan dezen te verstrekken en erop toezien dat zijn stijl zou worden gehandhaafd.
Henk Helmantel is een goede ambachtsman, die weet waar het prijskaartje moet hangen en die zijn markt kent. Volgens mij zal er bij hem niet veel meer gaan veranderen.

Het (streng) toepassen van de perspectief in zijn kerkinterieurs doet hem misschien meer een kind van de Renaissance dan van de Nederlandse Barock zijn. Met het schilderen van de natuur houdt hij zich nauwelijks bezig.
Om nog even terug te komen op wat mensen in het gastenboek hebben geschreven, dan moet ik vaststellen, dat velen op de tentoonstelling door het zien van het werk in hogere sferen zijn beland. Een echte verklaring heb ik daar niet voor, want zelf heb ik dat helemaal niet gehad. Waarschijnlijk zorgen zijn geordende, duidelijke, rustgevende werken voor zoiets. De invloed van de Martinikerk zou er misschien voor hebben kunnen gezorgd. Dan zou de invloed van die ruimte op de tentoongestelde werken groter zijn geweest dan omgekeerd – zie wat Andreas Blühm daarover heeft gezegd.

Over Henk Helmantel heb ik eens gelezen, dat hij de schoonheid van kleine voorwerpen in zijn werken naar voren wil brengen, want zij zijn onderdeel van God´s schepping. Dat hij Rembrandt, Vermeer (1632-1675) en Mondriaan (1872-1944) tot zijn voorbeelden rekent.
Volgens mij is Rembrandt een begenadigd schilder geweest, maar overschatten doe ik hem niet. Zijn etsen en tekeningen hebben echter veel meer "Geist" en verbeeldingskracht – dit heb ik nog niet zo lang geleden weer in het Rijksmuseum kunnen vaststellen. Zulke werken zijn bij Henk Helmantel niet te vinden. Vermeer zou men kunnen bestempelen als de Nederlandse "fotograaf" uit de zeventiende eeuw. Wat dat betreft zou Henk Helmantel beter kunnen gaan fotograferen. Het toepassen van de perspectief (een schilderkunstige abstractie) wil nog niet zeggen dat Mondriaan een voorbeeld voor hem zou kunnen zijn, maar misschien zie ik dat verkeerd.

"Hoe moet het nu verder met Henk Helmantel," zult u zich misschien afvragen. Wel, het volgende verhaaltje wil ik u niet onthouden.


HENK HELMANTEL KLOPT OP DE HEMELPOORT

Het is zo ver. Henk Helmantel klopt op de hemelpoort. Er gaat een luikje open en het bebaarde gezicht van Petrus komt te voorschijn. "Wie is daar!" wil Petrus weten.
"Henk Helmantel." Petrus had al lang voor een nieuw gehoortoestel naar Hans Anders gemoeten. Hij rekt zich wat door het luikje naar buiten toe en roept luid: "Wat zegt u? Zoud u misschien wat harder kunnen spreken? Ik heb u niet zo goed verstaan."
"Henk Helmantel," schreeuwt Henk. Petrus laat het een tijdje tot zich door dringen en herhaalt vervolgens: "Henk Helmantel." En deze knikt "ja" met zij hoofd.
Petrus is nog niet blind, want hij heeft de hoofdbeweging van Henk Helmantel goed gezien. Hij zegt vervolgens: "Heb wat geduld, want ik moet mijn computer even aanzetten en dan kijken of u in onze bestanden zit." En hij doet het luikje dicht.
Henk Helmanel staat zich wat te verbijten en denkt: "Had ik mijn tekengerei maar meegenomen, dan had ik hier nu mooi wat schetsen kunnen maken om die later te kunnen uitwerken."
Als Petrus het luikje weer open doet, wordt Henk Helmantel uit zijn gepeins gehaald. Petrus: "Dus u bent Henk Helmantel, dan moet u mij maar even op de volgende vragen een antwoord geven." Hij vraagt aan Henk Helmantel de meisjesnaam van zijn moeder, de geboortedatum van zijn vader en de naam van de academie waar hij had gestudeerd. Henk weet alle vragen goed te beantwoorden. Petrus is er helemaal van overtuigd dat hij met de juiste persoon heeft te maken en niet met één of andere navolger, vervalser, oplichter, bedrieger, …
"Ja," zegt Petrus als hij weer op zijn beeldscherm heeft gekeken: "U bent een moeilijk geval. Ik moet eerst met Onze Lieve Heer overleggen." "Zal dat lang duren?" wil Henk weten. Daarop kan Petrus geen antwoord geven. Hij weet het niet.
"Maar ik heb geen tekengerei bij mij," zegt Henk: "Wat moet ik al die tijd gaan doen!"
"Ga maar bidden voor een goede afloop," raadt Petrus hem aan. Het luikje gaat weer dicht en daar staat Henk dan. "Bidden onder deze omstandigheden is toch wel een hele opgave," denkt hij.
Gelukkig blijft Petrus niet lang weg. Hij doet het luikje opnieuw open en zegt tegen Henk: "Onze Lieve Heer is een groot liefhebber van beeldende kunst. Dat met het tweede gebod moet de mens niet al te ernstig nemen. Wat hebben Albrecht Dürer, Casper David Friedrich, Werner Tübke, Neo Rauch, … toch prachtig werk gemaakt. Van Henk zou Hij ook wel iets willen hebben, maar wat u tot dus verre hebt gemaakt, daarover is Hij niet zo te spreken. Dus moet ik van Onze Lieve Heer u mededelen, dat u niet binnen wordt gelaten. Naar het vagevuur wil Hij u ook niet zenden. Nee, u moet terug naar de aarde, omdat uw schildersopdracht aldaar nog niet is vervuld. U bent een vakbekwame koekenbakker, maar Onze Lieve Heer vindt dat u eens uw recepten zou moeten veranderen. Laat u inspireren door Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus, die beiden hebben vierhonderdvijftig jaar geleden de Heidelbergse catechismus geschreven. Of door de begaafde lieddichter Paul Gerhardt, die niets van zijn christelijke betekenis in de éénentwintigste eeuw heeft verloren. Verder moet ik u van Onze Lieve Heer ook nog zeggen, dat u niet terug mag keren naar Westeremden, met al die aardbevingen daar zou het te gevaarlijk voor u zijn. En vergeet niet om op de plek waar u terecht zult komen, een pand af te breken, zodat u daar dan een huis voor Onze Lieve Heer zult kunnen gaan bouwen."
Het luikje gaat voor de derde keer dicht en daar staat Henk Helmantel lang in gepeins verzonken. Nu niet toegelaten om door de Hemelpoort te gaan. Dat had hij niet verwacht, zijn leven lang had hij zo hard gewerkt en nu dit! Aan zijn tekengerei moet hij even niet denken. Op zijn klompen moet hij de hele lange weg van de Hemelpoort naar zijn nieuwe woonstee gaan afleggen. Dat zal nog een heel zware opgave worden!
Beste mensen, mocht u in de toekomst bemerken, dat de schilderstijl van Henk Helmantel ineens helemaal mocht zijn veranderd, dan bent u op tijd door mij op de hoogte gebracht.


FOLKERT SIERTS

(Dit artikel is in augustus/september 2013 geschreven)

Gebruikte literatuur
De Bijbel (Gronings, Nederlands en Duits).
H. W. Janson: Wereldgeschiedenis van de kunst. Den Haag/Antwerpen.
E. H. Gombrich: Eeuwige schoonheid. Bussum.
E. H. Gombrich: Kunst en illusie. Zeist/Antwerpen.
Arnold Hauser: Sociale geschiedenis van de kunst. Nijmegen.
Jürgen Werlitz: Das Geheimnis der heiligen Zahlen. Wiesbaden.
En verder: Wikipedia.