HANNE DARBOVEN - ZEITGESCHICHTEN


Onlangs bezocht ik de BUNDESKUNSTHALLE in Bonn. Van mij mag dat ding dadelijk worden afgebroken. Echter het dak niet, want daarop kan men heerlijk rondlopen. Deze hal is een kil gebouw met een veel te grote ingangsruimte. Ik ging naar deze hal om twee tentoonstellingen te bezoeken. Te weten: “JAPANS LIEBE ZUM IMPRESSIONISME” (8.10.2015-21.2.2016) en “HANNE DARBOVEN Zeitgeschichten” (11.9.2015-17.01.2016). Over de eerste tentoonstelling – daar liepen massa´s mensen rond – wil ik het niet hebben, maar wel over de tweede, want daar was bijna niemand aanwezig. Hanne Darboven (1941-2009) wordt gezien als een heel belangrijke, Duitse conceptueel werkende kunstenares.

CONCEPTUELE KUNST

In de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw ontstond wat men nu “conceptuele kunst” noemt. Als voorloper ervan kan men het werk van Marcel Duchamp beschouwen. Het nieuwe aan deze kunst was, dat er dwarsverbindingen werden gelegd met muziek, theater, foto, film, video, tekst, ...
Bij “conceptuele kunst” ligt de nadruk niet op de beeldelementen (compositie, vorm, lijn, ...), op het produkt, maar meer of minder op een verduidelijking, een illustratie van een idee/denkbeeld.
Laat ik vooropstellen, dat conceptuele kunst in de loop der tijden niets nieuws is geweest. Iedere kunstenaar ging/gaat ergens uit van een concept. Als ik een schaal van nul tot en met honderd zou inrichten, dan ligt de extreemste vorm van conceptuele kunst bij honderd. Het verschil tussen deze kunst en die van het andere uiterste, is eenvoudig gezegd: het verschil tussen hoofd en hand, tussen denken en doen. Het is duidelijk, dat die uitersten in de beeldende kunst volgens mij nergens te vinden zijn. Bij het ene uiterste (van honderd) zou ik willen spreken van het niet-kunstzijn en bij het andere van iets wat geen kunst is

HANNE DARBOVEN EN HAAR WERK

Hanne Darboven werd in 1941 te München geboren en stierf in 2007 te Hamburg. Na haar academietijd in Hamburg ging zij in 1965 naar New York.. Daar ontmoette zij de conceptueel (minimalistisch) werkende kunstenaars Sol LeWitt (1928-2007), Joseph Kosuth (1945- ), ... De eerste werd haar leermeester. Zij ging terug naar Hamburg in 1967. Op haar kamertje in New York tekende zij rechte lijnen op ruitjes papier. Ook op zulk papier vulde zij ruitjes met cijfers. Zij gebruikte daar bepaalde systemen voor. Heel eenvoudige, want volgens haar is 1+1 = 2. Zij gebruikte voor haar reeksen de cijfers 1 t.e.m. 9. Blijkbaar meed zij zo ongeveer de nul als de pest – in het vastleggen van dagen, maanden en jaren gebruikte zij wel de nul. Jammer, dat zij niet op de digitale trein is gesprongen, dan had zij zich kunnen beperken tot nullen en enen. Voor haar reeksen bediende zij zich van o.a: priemgetallen (een priemgetal is een getal, dat groter is dan één en alleen door één en zich zelf kan worden gedeeld), de gegevens van kalenders en wie weet wat nog meer. Wat mij betreft had zij net zo goed telefoonboeken, Kursbücher der Deutschen Bahn (spoorboeken van de Duitse Spoorwegen) – deze zijn nu niet meer in druk te verkrijgen – of het Postleitzahlenbuch (postcodeboek) kunnen nemen.

Hele optelsommen van getallen vulden haar voorraden ruitjes papier. Daarover moest men niet spottend schaterlachen, want zo´n “installatie” kon wel eens uit meer dan vijfduizend velletjes papier bestaan – in haar hele leven moet zij wel een produktie van meer dan een miljoen hebben gehaald. En als die velletjes ook nog eens werden ingelijst, dan kon men gewaar worden hoe zo´n “installatie” was uitgedijd. Haar getallenreeksen en schrijfwerken (typemachines gebruikte zij daarvoor ook) werden vaak door foto´s, ansichtkaarten, uitgeknipte bladzijden van tijdschriften gezelschap gehouden. Zij hield zo doende op haar manier de kunst/kulturele, politieke, ... ontwikkelingen (van vroeger en van haar tijd) in Duitsland bij. Titels van haar werken zijn o.a: Für Rainer Werner Fassbinder(1982/1983), Bismarckzeit(1978), Ost-West-Demokratie(1983). Ook persoonlijke ontwikkelingen, gebeurtenissen, ... kwamen bij haar aan bod, met titels als: Hamburg(Harburg)-New York(1984/1985), Webstuhlarbeit(1996), Taschenkalender 1966-2009, Halbjahres-kalender 1971-2008.
Waarom zij haar gehele leven door is gegaan met die cijferreeksen en niet met het trekken van lijnen op ruitjespapier is mij niet bekend, maar verklaringen zouden volgens mij kunnen zijn, dat zij vond dat het bestaan van rechte lijnen een onmogelijkheid was – zij maakte vervolgens wel zeer ééntonige, “golvende” lijnen. Of zij had Paul Klee´s “Pädagogisches Skizzenbuch” gelezen en was zich ervan bewust geworden, dat lijnen toch wel zeer ingewikkeld kunnen zijn. Misschien ook omdat zij dacht, dat zij door het maken van die cijferreeksen een betere greep op haar zelf kreeg en op de werkelijkheid waarin zij verkeerde. Zeer waarschijnlijk werd zij door de Japanse kunstenaar On Kawara (1932-2004) beïnvloed, die datumschilderijen maakte.
Haar werkwijze zou men misschien wel het beste kunnen omschrijven als deze, die men bij het breien hanteert. Men kan ermee ophouden, wanneer men wil en op elk ogenblik ermee verder gaan. En net als bij het breien, heeft het neerzetten van lijnen en getallen/cijfers op (ruitjes)papier een zeer meditatieve/contemplatieve component. Blijkbaar gaf Hanne Darboven de voorkeur aan het laatste. In korte tijd werd Hanne Darboven gezien als een belangrijke, conceptueel werkende kunstenares. Lucy R. Lippard vermeldt haar in het boek: “SixYears: The dematerialization of the art object from 1966 to 1972.” Zij nam deel aan de Documenta´s te Kassel en wel die van 1972 (5), 1977 (6), 1982 (7) en 2002 (11).

Hanne Darboven was in mijn ogen een maniakaal, bezeten, “problematische” verzamelaarster van haar eigen aan lopende band/hand geproduceerd werk. Echter andere voorwerpen werden door haar ook verzameld zoals: poppen, speelgoed en allerlei ander spul. Door haar werklust, discipline is zij volgens mij nooit een totaal zieke messie/hoadster geworden. Of haar moeder behoedde haar daarvoor. Misschien ook het personeel, dat bij haar in dienst was. Jarenlang woonde Hanne Darboven met haar moeder samen in het familie-onderkomen – waar veel kon worden bewaard – in Rönneburg (Hamburg).

DE TENTOONSTELLING

Hoe moet men vandaag Hanne Darboven en haar werk waarderen? Duidelijk is, dat zij onder de gevestigde kunstwereld nog steeds een uitstekende naam heeft, want anders was haar werk niet gelijktijdig tentoongesteld in de Bundeskunsthalle te Bonn en in het Haus der Kunst te München.
Of moet ik het anders bekijken en staat zij symbolisch voor wat er vandaag in de samenleving gebeurt. Daar waar alles onderhevig is aan het vastleggen van getallen in tabellen; het hanteren van criteria door “deskundigen” tot in de zoveelste graad; controlekwalificaties ontwikkelen ... U kent ze vast wel, die in hun werktijd alleen maar bezig zijn met een onzinnige getallen-administratie voor een dol en doorgedraaid systeem! Laat ik hier maar over ophouden en mij bezig houden met wat ik in de Bundeskunsthalle zag.
Zoals reeds gezegd liepen in dat gedeelte van de Bundeskunsthalle, waar het werk van Hanne Darboven was tentoongesteld geen massa´s mensen rond. En ik geloof, dat op andere tijden het er niet veel anders heeft uitgezien. Wel liepen er jonge vrouwen (misschien kunstgeschiedenisstudentes) rond, die erop uit waren de moeilijke kunst van Hanne Darboven aan bezoekers uit te leggen. Waarschijnlijk was de directie van de Bundeskunsthalle zich ervan bewust, dat er tegenwicht moest worden geboden aan de hermetische kunst van Hanne Darboven door de hulp van deze personen in te roepen. Of dit echt heeft geholpen om meer mensen naar deze tentoonstelling te krijgen, dat betwijfel ik ten zeerste.
Het eerste wat mij opviel was, dat veel werk van Hanne Darboven was gedegradeerd tot wandbekleding/behang. Op zichzelf is dat natuurlijk niet zo erg, want Immanuel Kant zegt in zijn Kritik der Urteilskraft (Suhrkamp Taschenbuch 1977) op bladzijde 253-254 het volgende: “Tot de schilderkunst in de brede betekenis van het woord zou ik nog het verfraaien van kamers door behang, tafels en al het mooie ameublement, wat louter voor het oog dient, willen rekenen.”
Ingelijste velletjes papier hingen prachtig gerangschikt boven en naast elkaar – wel vaak van de vloer tot aan het plafond, met een door mij geschatte hoogte van tien meter en nog meer meters in de breedte. Moest dit voor een visueel, indrukwekkend effect zorgen? Conceptueel gezien beviel mij dit helemaal niet. Ik wil conceptueel werk intensief kunnen bestuderen en dat werd mij voor een groot gedeelte onmogelijk gemaakt.
Wanneer ergens conceptueel werk wordt tentoongesteld, dan mogen van mij de samenstellers van zo´n tentoonstelling ook zelf wel conceptueel denken tot in de allerhoogste dimensie. De Bundeskunsthalle had bijvoorbeeld een cirkelvormige zaal in kunnen richten. Met precies in het midden een opgestelde, automatisch werkende, zichzelf ronddraaiende en zichzelf regulerende papiervernietiger, waarvan de aanzuigkracht en het uitspuwvermogen tot aan de binnenrand van de cirkelvormige zaal zou reiken. En in deze zaal mooi verspreid op de vloer alle Hanna Darboven-velletjes papier. Vervolgens zou men de vernietiger aan het werk (van aanzuigen, vernietigen, uitspuwen enz.) kunnen zetten tot in het oneindige door.
Theoretisch gezien zou met deze handelswijze de honderd op de bovengenoemde schaal zo ongeveer kunnen worden bereikt. Men zou dus hier dan kunnen spreken van de benaderde situatie van het niet-kunstzijn. Voor mij was het meest fascinerende van Hanne Darboven´s werk, dat zij d.m.v. haar getallensystemen noten, toonreeksen, (mathematische) muziek, akoetische signalen/trillingen, geluid, ... wist te produceren. Jammer genoeg was er hiervan op de tentoonstelling maar weinig te horen.
Verder bevielen mij haar (hout)skulpturen uitstekend. Een soort maquette uit hout is mij goed bijgebleven. In de door mij gevisualiseerde, loodrecht geprojecteerde lijnen op het horizontale vlak waren duidelijk de door haar vroeger getekende lijnen op het ruitjespapier te herkennen.

TOT SLOT

Van het eentonige, saaie, vervelende werk van Hanne Darboven was een eentonige, saaie, vervelende tentoonstelling gemaakt en dat had wel heel anders gekund. Mijn bovengenoemde papiervernietiger had men aan het werk kunnen zetten. Verder had men kinderen met getallen kunnen laten spelen: bijvoorbeeld met het spel “Mens erger je niet.” En wel zo, dat de zeven, de acht en de negen ook mee zouden doen. Of de gulden snede uit kunnen leggen aan de hand van voorbeelden uit de kunst en de natuur. Men had er computers neer kunnen zetten om bezoekers met getallen bezig te laten houden of “muziek” te laten maken ... alles ter ere van Hanne Darboven. Een tentoonstelling van kunst mag toch ergens wel pedagogisch/didaktisch verantwoord in elkaar worden gezet, zodat niet alleen ingewijden er wat aan hebben!


FOLKERT SIERTS

Gebruikte literatuur:
Bertram Mauer: MATHEMATIK-Die faszinierende Welt der Zahlen. Fackelträger Verlag, Köln (2015).
Jürgen Werlitz: Das Geheimnis der heiligen Zahlen. Marnix Verlag, Wiesbaden (2004).
José van Beers en Kees Hoogduin: Problematische verzamelaars. Boom, Amsterdam (2012).
Henk Plenter en Annemiek van Kessel: Let niet op de rommel. Luitingh-Sijthoff, Amsterdam (2014).
Lucy R. Lippard: Six Years: The dematerialisation of the art object from 1966 to 1972. Studio Vista, London (1973).
Immanuel Kant: Kritik der Urteilskraft. Suhrkamp Taschenbuch Verlag, Frankfurt am Main (1977).
Paul Klee: Pädagogisches Skizzenbuch. Albert Langen Verlag, München (1925).
En verder: Wikipedia.