DE ACHTERKANT

Onlangs bezocht ik het Mauritshuis in Den Haag en een week later het Museum de Fundatie in Zwolle. In zowel het ene als in het andere museum was iets bijzonders te zien. Ik kon er de achterkanten van "kunstwerken" bewonderen. De wijze waarop die achterkanten tot stand waren gekomen, was die van de nabootsing.

Nabootsing - mimesis

In zijn "Vorlesungen über die Ästhetik" (Reclam, Stuttgart – blz. 91) maakt G.W.F. Hegel (1770-1831) melding van de schilder Zeuxis – een tijdgenoot van Socrates (469-399). Op de door hem geschilderde druiven kwamen duiven afgevlogen om erin te pikken. Zijn geschilderde druiven werden van ouds her gezien als de zegetocht van de kunst en die van het principe van de nabootsing van de natuur. Zijn kollega Parrhasius overtrof hem, want Zeuxis zag de door Parrhasius geschilderde gordijnen voor echt aan.
Voor Socrates leerling Plato (427-347) was de zichtbare werkelijkheid tweedehands – een nabootsing/afbeelding/afspiegeling/weergave (mimesis) van de ideeën. Een bijvoorbeeld geschilderd stilleven was dus derdehands. Zijn voorkeur zou dus beslist bij de "abstracte" kunst hebben gelegen. Bij hem stond een dichter veel hoger in aanzien dan een beeldend kunstenaar. In de ogen van Plato had God de volmaakte vormen gemaakt en de door de kunstenaar gemaakte nabootsing van de zichtbare werklijkheid was dus voor hem dubbel minderwaardig.
Dat er een heel aantal schilders zijn geweest, die niet een model schilderden, maar uitgingen van een schoonheidsideaal, laat zich dus wel raden. ´t Was dus wel schrikken geblazen toen er in de negentiende eeuw kunstenaars waren, die zich ineens bezig hielden met bloed, zweet en tranen. Dus met het alledaagse!
Als er wordt afgezien van Plato´s rijk der ideeën, dan belandt men bij zijn leerling Aristoteles (384-323). Deze nam van zijn leermeester de mimesistheorie over, echter bij hem geen rijk der ideeën. Bij hem ging het om het weergeven van het wezen der dingen/natuur zelf. Dus geen nabootsing van een nabootsing, maar een nabootsing van een werkelijk bestaand iets. De algemeenheden waren bij hem niet gescheiden van de dingen, maar lagen in de dingen opgesloten. Kunst kon dus bij Aristoteles de werkelijkheid direct weergeven. Hij zou vast en zeker de voorkeur aan naturalistische/realistische kunst hebben gegeven. Zowel Plato als Aristoteles hebben het denken over kunst tot vandaag de dag beïnvloed.

Verso van Vik Muniz in het Mauritshuis, Den Haag

In de tentoonstellingszaal van het nieuwe gedeelte van het Mauritshuis zijn nu eens niet de voor-, maar de achterkanten van bekende kunstwerken – van o.a. Vermeer, Fabritius, Rembrandt – te zien. Deze achterkanten zijn nagebootst en wel op de volgende wijze. Ze werden gefotografeerd en vervolgens op schaal 1 : 1 nagemaakt. En wel op zeer vakkundige wijze door een aantal medewerkers van Vik Muniz. Deze objecten worden nu tentoongesteld in het Mauritshuis. Niet hangende, maar staande op de vloer. Bijgeleverde informatie over deze objecten aan de wanden is er niet, maar als men de tijd neemt om die achterkanten wat te bestuderen, dan kan men wel wat wijzer worden. Mijn belangstelling ging vooral uit naar hoe die constructies aan die achterkanten in elkaar zaten. Ik moet zeggen, dat deze er af en toe wel zeer boeiend uitzagen.
De nieuwe achterkanten – dus dat, wat op de tentoonstelling met het gezicht naar de wand toe staat – zijn gewoon wit. Hierop had Vik Muniz iets kunnen schilderen, maar dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft alleen die nieuwe achterkanten voorzien van zijn signatuur.
Het idee van Vik Muniz is misschien wel leuk, maar ik zie toch liever werk van Marcel Duchamp, Kurt Schwitters, Thijs Rinsema ... Die nabootsing van die achterkanten heeft niets om hakken. Zij leverde mij geen dieper inzicht in het rijk der ideeën op en ook niet in het wezen der dingen – in dit geval in het wezen van die echte kunstwerken.
Hoe had het beter gekund? Wel, had een aantal objekten aan de muur gehangen en er naast de echte kunstwerken. Of had bijvoorbeeld een schilder als Henk Helmantel de opdracht gegeven om een aantal van die achterkanten te schilderen – achter die achterkanten is het toch steeds doodstil. Of had uitgaande van die gebruikte constructies voor die nagebootste achterkanten nieuwe op zichzelf staande objecten laten maken door andere kunstenaars. Zo was het vliegwiel in beweging gezet en er had van dat alles een uitstekende tentoonstelling kunnen worden gemaakt.
Gelukkig is die ruimte voor tentoonstellingen in het nieuwe gedeelte van het Mauritshuis niet zo groot. Dus veel rotzooi kon er niet worden ondergebracht.

Rob Scholte in het Museum de Fundatie, Zwolle

Wat die rotzooi betreft, die was in het Museum de Fundatie geheel anders. Ik moet vaststellen, dat steeds meer musea meer of minder geordende rotzooi in huis halen. Of beter gezegd, dat wat problematische verzamelaars bij elkaar hebben gescharreld, wordt tentoongesteld: Song Dong in het Groninger Museum, Hanne Darboven in de Bundeskunsthalle te Bonn. En ergens is het werk van Vic Muniz in het Mauritshuis ook rotzooi. Ik heb in zoverre niets tegen rotzooi in een museum, maar dan moet het beeldend mij wel iets hebben te zeggen. Tot nu toe is mij dat nog niet overkomen. Het kan natuurlijk zo zijn, dat ik de verkeerde musea heb bezocht.
Volgens mij zal het niet lang meer duren, dan zal de inhoud van een vuilniswagen in een museum worden gekieperd. De bezoekers/sters zullen dan niet worden uitgedost met een koptelefoon, maar met een gasmasker.

De werkwijze van Rob Scholte is een geheel andere dan die van Vic Muniz. Al is er wel een zekere overeenkomst. Rob Scholte laat het werk ook door anderen doen. Bij hem is dat echter vooraf. Hij geeft geen opdrachten. Nee, hij verzamelt alleen maar en zet vervolgens zijn signatuur erop. Gemakkelijker gaat het niet. En wat verzamelt hij? Wel .., borduurwerkjes. Alledaagse vlijt van huisvrouwen, al zal een enkele man als uitzondering, zich er ook weleens mee bezig houden. Nu heb ik niets tegen het werken met naald en draad, want ik weet dat met het gebruik daarvan de geweldigste kunstwerken kunnen ontstaan.
Met de verzameling van Rob Scholte is dit niet het geval. De afbeeldingen op zijn verzameling borduurwerkjes zijn zeer beperkt. Deze huisvlijt is niet verder gekomen dan met afbeeldingen van portretten, bloemen, landschappen, beroemde kunstwerken ... En het meest verrassende van dit alles is, dat niet de voorkanten, maar de achterkanten van deze borduurwerkjes worden tentoongesteld. Nu zijn deze niet zo boeiend en dan vraag ik mij af, waarom de helft van de Fundatie daarmee moet worden vol gehangen. Wat dat betreft had men even goed alle wanden van het museum ermee kunnen bedekken, dan was er misschien nog iets tussen geweest, waarvan ik had kunnen genieten.
Blijkbaar denkt men in de Fundatie dat iets wat een vrouwenvolks-culturele, handenarbeidzame traditie heeft wel in het museum kan worden getoond. Ik denk, dat er dan spoedig iets wat vooral door mannen wordt gemaakt, in de Fundatie zal komen te hangen/staan bijvoorbeeld: vogelhokjes, konijnen-, duivenhokken, tegelwerken .., want mannen timmeren, leggen tegels ... toch zo graag.
Ook Rob Scholte zorgde er niet voor, dat ik een diepere kijk op de werkelijkheid/de kunst kreeg. En van genieten was bij mij in het geheel geen sprake. Ergens schiet een museum volgens mij dan wel totaal aan zijn doel voorbij.
Rob Scholte heeft er echter wel voor gezorgd, dat die huisvlijtwerkjes niet in de vergetelheid zijn geraakt en daar mag men hem natuurlijk voor prijzen. De echte vraag is echter: waarom zijn verzameling in het Museum de Fundatie hangt? Volgens mij niet omdat zijn idee – het verzamelen van borduurwerkjes – zo reusachtig is, maar dat dit alles heeft te maken met relaties, connecties ...

(Nog t/m 4 september 2016 - Vic Muniz - Verso - Het Mauritshuis - Den Haag en nog t/m 18 september 2016 - Rob Scholte - Embroidery - Het Museum de Fundatie - Zwolle)


FOLKERT SIERTS