TWEE ACADEMIES – EEN VERGELIJK


Op zondag 15 juni 2014 was ik aanwezig bij de opening van de tentonstelling: Eén stad, één Gasunie, twee kunstacademies. Deze vond plaats in het Gasuniegebouw te Groningen. De heer Eric Bos hield daar als organisator van deze tentoonstelling een openingsrede – met lichtbeelden. Hij wilde in zijn half uur durende rede het ruim opgekomen publiek doen geloven, dat beide academies van hoogwaardige kwaliteit waren.
Verder ging hij in op de verschillen en de overéénkomsten van de twee academies – hij benadrukte vooral de overéénkomsten en deze betroffen: de kwaliteit van de docenten en die van de studenten, de uitrusting, ...
De verschillen lagen op het vlak van gesubsidieerd/ongesubsidieerd zijn; de studenten – kortweg gezegd gaan naar Academie Minerva vooral die personen, die dadelijk of nog niet zo lang geleden van de middelbare school zijn gekomen en naar de Klassieke Academie, die in deeltijd op (wat) latere leeftijd het beeldend kunstenaarsvak nog willen leren.
Volgens Eric Bos lag het grote verschil in de uitgangspunten. Academie Minerva leidt studenten op in de vormgeving (grafisch, ruimtelijk ...) en in de conceptuele – wat dit ook mag zijn – kunst, en de Klassieke Academie in de ambachtelijke kunst (schilderen, beeldhouwen en grafiek). Een kruisbestuiving zou volgens Eric Bos niet verkeerd zijn.

Volgens mij heeft Academie Minerva eens een heel stomme fout gemaakt, en wel dat eruit te hebben gegooid, wat nu in de Klassieke Academie wordt onderwezen. Dit zal wel op het bordje van de toenmalige beleidsmakers van de Hanzehogeschool kunnen worden geschoven. Waarschijnlijk zijn zij zich niet bewust geweest van hun daden. Wat is er tegen om grondig model te leren tekenen, de anatomie van een mens te bestuderen, zich bezig te houden met de perspectief, ... Volgens mij niets!
Door gefrustreerde oud-docenten van Academie Minerva werd vervolgens de Klassieke Academie uit de grond gestampt. Konden die het academietje spelen niet laten? Of stond hen een ideaal voor ogen? Het niet verloren laten gaan van de klassieke beeldende kunstopleiding.
Wijsgerig gezien is de huidige tegenstelling van de twee opleidingen al terug te voeren tot de Griekse Oudheid. Plato ging uit van zijn ideeën en Aristoteles vanuit de waarneming. Wat de beeldende kunst betreft, soms had de ene richting de overhand en dan weer de andere. Ik persoonlijk vind die richtingenstrijd heden ten dage overbodig en ben van mening, dat al wat er door de Klassieke Academie wordt gedaan, zo snel mogelijk bij Academie Minerva wordt teruggebracht. Een goede Academie moet voor een breed aanbod van mogelijkheden zorgen, zodat studenten iets hebben te kiezen.

Als organisator van de bovengenoemde tentoonstelling had Eric Bos vier afgestudeerden uit het jaar 2013 van zowel Academie Minerva als van de Klassieke Academie voor deelname eraan uitgekozen.
Beeldende kunst tentoon te stellen op de begane grond van het Gasuniegebouw is een moeilijke zaak. De ruimte laat dat ergens niet toe. Deze is te overweldigend en men wordt er al snel door afgeleid. Geen van de tentoongestelde kunstwerken kon tegen die ruimte ook maar iets inbrengen.
Welke werken zijn in mijn hoofd het meest blijven hangen? Wel de aardig grote, theatrale schilderijen van Jantien de Boer, de heel kleine, bewerkte droge naalden – de grotere probeerden veel te veel informatie over te brengen – van Antonia Rehnen en de tekeningen van Frieda de Witte. Samengevat was voor mij de stand tussen Academie Minerva en de Klassieke Academie een gelijkspel.


EINDEXAMENTENTOONSTELLING KLASSIEKE ACADEMIE

Een paar weken voor de betreffende zondag in het Gasuniegebouw bezocht ik in Pictura de tentoonstelling van afgestudeerden van de Klassieke Academie uit het jaar 2014. Ik vond er niet zoveel aan. Alsof een duf, bejaard schildersgenootschap hier zijn jaarlijkse tentoonstelling had georganiseerd. Waarom had men de tentoongestelde werken niet beter geselecteerd, waarom zo slecht gepresenteerd? Een prijslijst was ook nog gemaakt! Blijkbaar moest na zo´n dure opleiding dadelijk de kassa rinkelen.
Twee werken kon ik wel aardig waarderen. Dit waren twee schilderijen van Peter Tholen.: Examenvrees en “Beetje privacy misschien?” Beide wel op een veel te klein formaat geschilderd. Pieter Tholen kan blijkbaar één ding goed en dat is in olieverf modellen schilderen. Doe dat dan ook! Zijn overige twee werken – Knekelveld der dingen en Binnenplein Martini Ziekenhuis – had men beter niet kunnen ophangen.
Verder bevielen mij de houtskooltekeningen van Gerda Praamsma wel – eindelijk eens geen olieverf. Die tekeningen hadden wat mij betreft wel veel meer contrast en liniaire werking mogen bezitten. Al met al geen tentoonstelling om vrolijk van te worden.


EINDEXAMENTENTOONSTELLING ACADEMIE MINERVA

Om een goed vergelijk te maken tussen de kwaliteit van het eindexamenwerk van de Klassieke Academie en dat van Academie Minerva in 2014 vervolgde ik mijn onderzoek. Ergens in de maand juli liep ik alle Academie Minerva- eindexamententoonstellingslocaties af. Zelfs die aan de Kolendrift, waar het werk van de Frank Mohr-studenten was tentoongesteld. En ik moet zeggen, dat mij daar de installaties in de allerlaatste containers – links en rechts – te weten: “keuken” en “toiletten” het beste zijn bevallen. Wat een krachtige kleuren; wat met veel vakmanschap geproduceerde wc-deuren ...

Over de afgestudeerden en hun werk
Volgens mij is er dit jaar aan Academie Minerva aardig wat talent afgeleverd. Nu maar afwachten hoe zich dat verder zal ontwikkelen. Tegen heel wat hindernissen zal nog worden aangelopen.
Zonder ook maar een enkeling of een afdeling te kort te willen doen – de afdeling illustratie/animatie en de opleiding docent beeldende kunst en vormgeving boeiden mij het minst – moet ik zeggen dat er een aantal uitstekende, korte filmmakers/maaksters zich tijdens die dagen in juli hebben gemanifesteerd – o.a. in de meest moeilijk te vinden vertrekjes van het oude Postkantoor. Op de voor mij meest opvallende filmpjes zal ik even ingaan.

Janneke Welfing liet mij door haar filmpjes nadenken over “Nähe” und “Distanz.” Hoever kan ik gaan met de ander en wie is die ander. Wil ik met die ander een bepaald rolpatroon vervullen door bijvoorbeeld bij het uit- en aankleden? Elkaar het uitgetrokken kledingstuk toereiken en vervolgens dat van de ander ontvangen stuk aantrekken. Hoe vaak zou ik dat met die ander willen doen en hoe snel zou ons dat de keel uithangen? Of zou ik toch liever iets anders met die ander willen ondernemen? Samen gelijktijdig één glas sap leegdrinken – dat is nog niet zo gemakkelijk. Hoeveel lijf wil ik dan van die ander speuren.
Gooi dat glas toch weg en ga niet voetje knuffelen, maar vlucht de straat op en zie of jij zonder die ander zou kunnen leven in een totaal doorgedraaide samenleving. Op de filmpjes viel wel wat af te dingen, maar inhoudelijk vond ik ze uitstekend.
Beeldend gezien waren voor mij de filmpjes van Marijke Schutte veel sterker en grappiger, alleen de presentatie ervan beviel mij niet. Ik hoef niet in een soort trechter te kijken om van film-improvisaties te kunnen genieten. Het audio-gedeelte van haar werk kon mij in het geheel niet bekoren.
Het meest indrukwekkend vond ik een filmpje van Alexander Platjouw en als ik mij nog goed herinner, heette dat: Introspection. Het filmpje was opgebouwd uit voortreffelijke, grafische (abstracte) beelden. Het boeide mij van het begin tot het einde. Zijn andere filmpjes hadden er van mij ook zo mogen uitzien.

In de Praediniussingel 59 werd ik al snel aangetrokken door gezang. Ik ging op zoek naar waar dat vandaan kwam. Al snel ontdekte ik het filmpje van Roos Cornelius. Met als inhoud een koortje van tien personen, dat “Slaap kindje slaap, daar buiten loopt een schaap” zong. In het filmpje kreeg ik geen één schaap, maar een hele kudde met een schaapherder te zien. Dat geheel liep voor het koortje langs.
Het idee achter het filmje kon ik waarderen, maar de uitvoering niet. De schaapskudde had wat mij betreft veel groter mogen zijn. Waarom het filmpje vlakbij een tunneltje was opgenomen, bleef voor mij een raadsel. Dit had in het Groninger Museum moeten gebeuren, dan hadden die schapen dat heerlijk onder kunnen schijten. Publiciteit genoeg gehad.
Ik zou Roos Cornelius willen aanraden om eens naar de films van Bill Viola – een Amerikaanse videofilmmaker – te kijken.

De afdeling Vormgeving Communicatie zat in de Oosterstraat 48-52. Daar was het gezellig en chaotisch. Een paar namen die mij zijn bijgebleven: Hannah Weiser over andere manieren van gewaarwording, dus niet alleen via het visuele; Katharina Helms over grafische vormgeving en dementie, Alex Tolchynska over wat ik maar vervreemding zal noemen ...

In het Academie Minerva-gebouw liep ik tegen een aardige installatie met de prachtige titel: “Wij verplaatsen lucht” aan. Dus geen aarde, water en vuur, maar lucht. Deze was gemaakt door het vakbekwame knutselduo: Vlaflip. Toen ik zag hoe lucht werd verplaatst, vond ik de titel des te geweldiger. Hoe komt men erop zo´n titel te verzinnen? Ik moest wel vaststellen, dat de installatie te weinig ruimte beschikbaar had gekregen, desondanks zag deze er lekker speels, grappig en onserieus uit. Van zoiets hou ik wel.


DE VERSCHILLEN

Een groot verschil tussen beide academies was het aantal afgestudeerden. Bij de Klassieke Academie twaalf personen, en bij Academie Minerva ruwweg geschat een kleine honderd – verdeeld over vijf afstudeerrichtingen.
Een ander verschil lag op het vlak van de presentatie van het werk. Ik vond die van de Academie Minerva-studenten uitstekend, vooal doordat meestal de afgestudeerde bij zijn/haar tentoongestelde werk aanwezig was. Zodoende kon ik vaak met de betreffende persoon een gesprek voeren. Tijdens mijn rondwandelen heb ik nergens ook maar één prijslijstje gezien – en zo hoort dat ook op zo´n tentoonstelling. Naast het beeldend werk moest iedere afgestudeerde ook een scriptie – die men ter plekke kon inzien – hebben geschreven. Deze ter verantwoording/verklaring/verduidelijking van het eindexamenwerk – voor dat geheel had iedere afgestudeerde wel drie promotoren nodig!
Tenslotte waren er stapels van een A5-kaart aanwezig. Waarop aan de ene kant een afdruk van een gepresenteerd werk (of een gedeelte ervan) en aan de andere kant informatie over de betreffende persoon was te vinden.
Dit alles was op de eindexamententoonstelling van de Klassieke Academie nergens te ontdekken.
Sanengevat was de tentoonstelling van de Klassieke Academie een weinig opwekkend, drie weken durend gebeuren en die van Academie Minerva een levendige, inspirerende, zes dagen durende presentatie van beeldende objecten en processen.

Het mag wel duidelijk zijn, dat hier van een gelijkspel tussen Academie Minerva en de Klassieke Academie geen sprake was! Als de Klassieke Academie zo door zal gaan, dan zal zij geen lang leven meer zijn beschoren. Of zij heeft geluk, doordat genoeg mensen haar opleidingen willen blijven volgen.
Bij een kruisbestuiving zou de Klassieke Academie het meeste profijt ervan trekken. Maar zien wat het volgend jaar beide academies hebben te bieden.


FOLKERT SIERTS

(Geschreven in juli 2014)