DAVID HOCKNEY A BIGGER PICTURE EEN GEWELDIGE PRESTATIE


Na Londen (Royal Academy of Arts) en Bilbao (Guggenheim-Museum) kwam David Hockney A Bigger Picture – wel aangepast – naar Keulen (26.10.2012 - 03.02.2013).
Als student van de kunstakademie ontdekte ik hem via afbeeldingen. Ik was dadelijk geestdriftig over zijn werk.
En toen stond ik daar in het Museum Ludwig, kocht een toegangskaartje en liep door de zalen heen, waar het werk van David Hockney hing. Er schoot van alles door mij heen toen ik voor de eerste keer daar in het Museum Ludwig rondliep – twee keer heb ik de tentoonstelling “A Bigger Picture” bezocht. Ik moest denken aan het woudsterven. Nog ieder jaar loopt het aantal bomen over de gehele wereld sterk terug, door brand, droogte, storm, sneeuw, insekten, schimmels, methaan en andere gassen, (illegale) houtkap, ... Bij David Hockney zag ik niets daarvan. Hoewel, hier en daar waren op zijn schilderijen omgehakte bomen en “totems” te zien. (Totem – het stuk van een omgevallen boom, dat in de grond was blijven staan). Door hem in zeer verschillende, vrolijke kleuren geschilderd.


WERKELIJKHEID EN BEELD, BEELD EN WERKELIJKHEID

Het onderwerp waarmee David Hockney zich druk bezig hield en nog steeds houdt, is hoe kunstenaars de zichtbare werkelijkheid op een platvlak konden tot stand brengen. Om dat voor elkaar te krijgen, daarover hadden kunstenaars zich al heel vroeger het hoofd gebroken. In David Hockney´s “Secret Knowledge” staat, dat kunstenaars in de vijftiende eeuw al gebruik maakten van de camera obscura. Een donkere kamer/kast met een gaatje erin. Door op de juiste wijze een lens, een spiegel en een stuk (mat)glas aan te brengen kon men bijvoorbeeld op een stuk papier of een stuk linnen mooi de contouren van de zichtbare werkelijkheid gaan overtekenen. Perspectivisch gezien, moest vervolgens het nog te maken werk wel helemaal in orde komen.
Dat in het verleden grote kunstenaars dit hulpmiddel hadden gebruikt, ging er bij de kunsthistorici niet in als koek. In David Hockey´s opvatting was vroeger de camera obscura slechts een hulpmiddel en waarom zou men dit niet gebruiken. Ik kan hem daarin alleen maar gelijk geven.
David Hockney zelf hanteerde weleens de camera lucida. Een toestel met een prisma, waarmee men perspectivisch juist de zichtbare werkelijkheid op bijvoorbeeld een stuk papier kan weergeven. Vandaag is er in app-vorm de camera lucida voor iPhone en iPad verkrijgbaar. Zich lekker bezig houden met tekenen op het beeldschermpje van zo´n ding. Wat wil men nog meer!

Volgens mij legt David Hockney een te overdreven nadruk op fotografische hulpmiddelen om de tekortkomingen van het menselijk oog te kunnen kompenseren. Hij reed met negen en achttien videocamera´s (op een auto bevestigd) door een bos in Yorkshire. Op beeldschermen kon men in het Museum Ludwig de resultaten ervan zien. Overtuigen deden mij deze niet echt. Prachtige plaatjes voor koektrommels, beschuitblikken, theedozen of vakantiefolders. Op de balie van het Museum Ludwig vond ik een folder van de Yorkshire Wolds – lekker meeliftend op de David Hockney-trein!
Vroeger werkten kunstenaars om de zichtbare werkelijkheid op een plat vlak te schilderen vanuit één standpunt. Picasso trachtte dit op een gegeven ogenblik te doorbreken door vanuit meerdere standpunten gezien een werk tot stand te brengen. David Hockney vond dit dus niet voldoende, hij had wel negen en achttien ervan nodig. Geeft mij dit meer kennis over de zichtbare werkelijkheid? Volgens mij niet. Al snel wordt de waarnemer overvoerd met beeldinformatie en neemt vervolgens niets meer op. Deze kwantitatieve overvloed betekent niet dat de kwaliteit van de waarneming zal gaan stijgen. Het menselijk oog heeft tekortkomingen, het is echter geen fotografisch oog. Een foto/filmtoestel legt iets vast, registreert iets. Het menselijk oog neemt waar, kijkt en ziet. Dit alles kan in meerdere of mindere mate door fotografische beelden – televisie, film, reklame, mode – worden beïnvloed. En als ik hem goed begrijp, wil David Hockney met zijn werk daartegen ingaan. Hij wil de mensen beter leren waarnemen. Volgens mij bereikt hij dit met zijn liefelijke landschapsschilderijen en films niet.
David Hockney had misschien niet met een hoeveelheid camera´s door een bos moeten gaan rijden, maar had aktief als panoramaschilder moeten gaan werken. Had eens in de leer kunnen gaan bij het Panorama Mesdag (Den Haag – 1686 vierkante meter), bij het Bauernkriegspanorama van WernerTübke (Bad Frankenhausen – 1722 vierkante meter) of bij de panorama´s van Yadegar Asisi (Berlijn, Leipzig en Dresden – waarvan de grootste 3286 vierkante meter is).
Hij had als panoramaschilder heel wat meer vierkante meter oppervlakte in de verf kunnen zetten. Het menselijk oog zou zich in zo´n panorama – niet van één standpunt uit – veel ongedwongerer hebben kunnen bewegen. Hij zou in het panoramabeeldvlak nog van alles hebben kunnen laten monteren – om de toeschouwer aan het denken te zetten en vrij te maken van het waarnemen van de zichtbare werkelijkheid met een “fotografische” blik.
Het afbeelden van de ruimtelijkheid van de zichtbare werkelijkheid op een platvlak zal altijd te kortschieten, maar de illusie maakt misschien wel meer dan honderd procent goed. Zoals gezegd met het gebruik maken van trucs kan dat heel aardig gelukken.

Om even terug te komen op Picasso. Het was natuurlijk een voortreffelijke gedachte van hem om een kunstwerk, gebruikmakend van verschillende standpunten, te scheppen. Heel iets nieuws voor de toenmalige kunstliefhebber om zoiets op een platvlak te mogen waarnemen. Echter volgens mij is in eerste instantie een platvlak daarvoor niet bestemd. In mijn opvatting moet er worden uitgegaan van het platvlak – de beelddrager – zelf. Het is beeldend gezien veel spannender om op dat platvlak bijvoorbeeld lijnen neer te zetten, die ervoor zorgen, dat men geen platvlak meer ziet. Men ziet bijvoorbeeld alleen nog maar verhoudingen. Als men daarin misschien het hoofd van de buurvrouw herkent, dan is dat mooi meegenomen.


DAVID HOCKNEY ALS KUNSTENAAR

Waar moet ik David Hockney als kunstenaar plaatsen. Als men zijn werken van vroeger tot nu toe een beetje kent, dan valt ten eerste op dat hij enerzijds uit gaat van de waarneming en anderzijds gewoon abstract werkt. Hij combineert het figuratieve met het abstracte in zijn kunst. De ene keer overheerst het ene meer dan het andere. Er kan – zo men wil – worden gesproken van nabootsing. En soms ligt dat geheel anders. Ten tweede, dat hij steeds opnieuw de confrontatie met (gestorven) collega´s aangaat. Een grappig voorbeeld hiervan is: “Artist and Model” uit 1973 (Pablo Picasso in ”gesprek” met David Hockney). In “A Bigger Picture” zijn uitéénzetting met Claude Lorrain. Daarover straks meer. En ten derde, dat hij als beeldend kunstenaar altijd graag van (ongebruikelijke) (moderne) hulpmiddelen – camera lucida, fotokopieerapparaat, polaroidfototoestel, enz. – gebruikmaakt.
Op een gegeven ogenblik ontdekte hij de iPad. Na een half jaar te hebben geoefend, had hij de techniek om op een iPad te kunnen tekenen onder de knie. In één van de zalen kon ik hoog uitgemeten de Yosemite-werken – foto´s op dibondplaten geplakt – zien hangen. Voor mij viel niet te ontkennen, dat deze op afstand gezien wel een bepaalde sfeer uitstraalden. Echter zij hadden beter niet kunnen worden tentoongesteld. Aardig onbeholpen in elkaar gezet. De compositie vond ik bepaald zwak. En dan al die zonder inspiratie, sjabloonachtig neergezette krabbels. Nee, dan toch maar liever zijn olieverven.

Nog even wat over de nabootsing(mimesis). Hoe herkenbaarder des te geslaagder de nabootsing van – bijvoorbeeld – een stuk natuur op een schilderij is. In ontzettend veel hoofden van de mensheid zit dat nog ingebakken. David Hockney speelt hiermee. Alsof hij de waarnemer van zijn werk steeds op het verkeerde been wil zetten, om de tuin wil leiden.
Na de uitvinding van de fotografie werd gedacht, dat de schilderkunst wel ten dode was opgeschreven. Dat er geen werk meer was voor de beeldend kunstenaar. Het afbeelden van de zichtbare werkelijkheid – op een bepaalde wijze – was door een andere discipline overgenomen. Men kan stellen, dat het niet de dood van de schilderkunst, maar de bevrijding ervan betekende. Zo gezien heeft de fotografie zich heden ten dage van de dwang om de zichtbare werkelijkheid af te beelden nog niet bevrijd. Van de fotografie wordt nog steeds verwacht, dat zij herkenbare afbeeldingen levert. Wat dat betreft is er in de hoofden van de mensen in vergelijking met die van de negentiende eeuw niets veranderd. Dat David Hockney daarin verandering wil brengen, valt hem te prijzen.
Dat de beeldend kunstenaar in de negentiende eeeuw zou zijn uitgerangeerd, bleek naast de waarheid te liggen. Er werd hard gewerkt. De ene beeldende kunststroming volgde de andere op. Overvleugeling door de fotografie vond niet plaats – eerder misschien omgekeerd. De fotografie liet zich weleens inspireren door de schilderkunst.

In het Museum Ludwig zag ik schetsen, tekeningen, aqarellen, olieverven, foto´s, films, ... meestal in zeer groot (samengesteld) formaat. Vaak vond ik, dat de zalen te klein waren om voldoende afstand tot de werken te krijgen om die goed op mij te kunnen laten inwerken. Een paar fotocollage`s uit de jaren tachtig van de vorige eeuw konden op het einde van de tentoonstelling ook nog worden bekeken. Een aardig gevonden tegenstelling tot de video-opnames van “The Jugglers, June 24th 2012” – ineens geen landschap meer.
Zijn olieverflandschappen vielen grofweg gezegd in twee soorten te onderscheiden. Zij waren of binnen of buiten gemaakt (heel strikt genomen was dit onderscheid niet te maken, want alles hangt met alles samen). De buitenlandschappen in bonte kleuren (invloed van het fauvisme, het expressionisme) doen natuurlijker aan, dan de andere. Deze deden mij meer denken aan de droom/sprookjeslandschappen van Henri Rousseau.
David Hockney is een vlijtige en hardwerkende kunstenaar. Bij mij kwam bij het bekijken van zijn werk steeds het gevoel omhoog, dat het volgend werk al lang af had moeten zijn. Zo gehaast en ongeduldig als die beste man steeds bezig moet zijn geweest en toch vaak alles zeer braaf geschilderd. In de serie uit 2010 “The Sermon on the Mount” (After Claude) komt dit volgens mij aardig tot uitdrukking. De werken zijn interpretaties van dat van Claude Lorrain uit 1656. Deze zeventiende-eeuwse, Franse kunstenaar heeft zich met het landschap in de omgeving van Rome intensief bezig gehouden.
De Bergrede kan men in het Nieuwe Testament bij Mattheus 5, 6 en 7 (ook wat bij Lucas) terugvinden. Hierin wordt beschreven, dat Jezus door een menigte mensen wordt gevolgd. Hij gaat dan een berg op en onderwijst zijn discipelen en deze menigte over Gods koninkrijk en wie de bewoners ervan zullen zijn: de armen van geest, de nederigen, de reinen van hart, de vredestichters, de zachtmoedigen, de barmhartigen, zij die zich geen rijkdom op aarde willen verwerven, ... Jezus leert hier zijn volgelingen “Het Onze Vader.”
Op Lorrain´s schilderij verheft zich de berg als een rots in de branding. David Hockney vond het schilderij er vervuild uitzien. Op een digitale opname maakte hij “De Bergrede” schoon. Aan de hand daarvan ontstonden zijn “Sermon´s on the Mount” in klein- en grootformaat – de grootste 457,2/731,5 cm, bestaande uit 30 doeken. Een paar hebben de zelfde afmetingen als Claude Lorrain´s werk (171,5/259,7cm). Het één wat abstrakter, kleurrijker, knulleriger... dan het andere geschilderd. Laat ik het maar voorstudies noemen. Op één ervan verkondigt hij zijn eigen blijde boodschap. “LOVE” had hij erop neergezet. David Hockney hier als bergprediker, heilsprofeet, ..!

In 2005 verhuisde David Hockney van Californië terug naar Yorkshire. Had hij dat maar nooit gedaan. Was hij maar verder gegaan met zijn stillevens, portretten, interieurs, (homo-erotische) werken, ...
Om een doodzieke vriend te bezoeken, reed David Hockney in een gedeelte van het jaar 1997 dagelijks door het landschap van Yorkshire en raakte erdoor geboeid. In die tweede helft van de negentiger jaren van de vorige eeuw begon hij met het maken van landschappen in Yorkshire – bijvoorbeeld: The Road to York through Sledmore (1997), The Road across the Wolds (1997), Garrowby Hill (1998). Waarschijnlijk begint dan de ellende. Volgens mij haalt hij nooit zijn niveau van vroeger meer.
Vanuit het ene ontstond het andere. Hij vertoefde steeds vaker daar, waar hij vandaan kwam. Besloot op een gegeven ogenblik terug te keren naar zijn “Heimat.” En kon het tekenen, aquarelleren ,schilderen en fotograferen niet laten!


TWEE VRAGEN

Bij mij kwamen later steeds de twee volgende vragen naar boven. Ten eerste wat was er mis met David Hockney en ten tweede wat was er mis met drie musea.
Vroeger bewonderde ik hem en ineens was dat verdwenen. Met mij kon er natuurlijk ook iets mis zijn! Daar geloofde ik niet zo in. Volgens mij was hij zijn kritische geest kwijt geraakt. Misschien was hij zich niet bewust, dat de kunstenaar slechts het medium is. Deze geeft door wat hem door de goddelijke geest wordt ingefluisterd. Waarom iPadwerken zo breed uit laten hangen, terwijl er bij het bekijken ervan niets van die goddelijke geest valt te bespeuren. Bij eenvoudige zwart/wit tekeningen bemerkte ik daar af en toe wel iets van. Zo ongeveer tachttig procent van de aanwezige werken hadden beter thuis kunnen blijven hangen. Kunstwerken worden toch niet gemaakt ter verheerlijking van de kunstenaar.

Nu beland ik bij de tweede vraag: wat was er mis met drie musea, die deze tentoonstelling binnen de muren hebben gehad. Die waren dus ook onkritisch geweest. De taak van een museum is om dat niet te zijn. Algemeen gezegd moet een museum het volgende doen: verzamelen, selecteren, conserveren, documenteren, tentoonstellingen organiseren, educatieve diensten verlenen, publiek trekken, geen financiële verliezen maken, ... Dus er moet geld binnenstromen. Tentoonstellingen organiseren, die een menigte van mensen trekken kan daarvoor een middel zijn. De drie musea hebben tesamen zo ongeveer een anderhalf miljoen bezoekers getrokken. De toegangsprijs in Keulen was €10,00 (met korting €7,00). Omgerekend komt men dan al snel op een bruto omzet in de richting van vijftien miljoen euro van de drie musea tesamen – de verkoop van catalogi enz. niet meegerekend. Musea wedijveren hier met pretparken. Of het trekken van zoveel publiek de kwaliteit van tentoonstellingen ten goede zal komen, dat is de grote vraag. Met die van David Hockney in ieder geval niet.
Blijkbaar verwachtte het Museum Ludwig, dat de bruto omzet toch nog niet voldoende zou zijn. Het Italiaanse energiebedrijf ENI vermeldde met trots op haar Duitse website, dat het sponsor van de David Hockney-tentoonstelling was. En wel onder de leus: “Kultur ist Energie, Energie ist Kultur.” Vergetend, dat het grootste gedeelte van David Hockney´s brandhout een weinig warmtegevend vermogen bezat.

Ik kan het geheel natuurlijk ook anders bekijken. De bedoeling van de tentoonstelling was om David Hockney´s denkbeelden en werkwijzen aan een zo groot mogelijk publiek bekend te maken. Dat is wonderbaarlijk gelukt met al die herhalingen van bloesems, bladeren, bomen, lanen, bossen, weilanden, akkers, landschappen, wisseling der seizoenen, ... – een geweldige prestatie.


FOLKERT SIERTS

(Dit artikel is in januari/februari 2013 geschreven)