EEN CONTAINER VOL TRANEN!


Onlangs verscheen in de reeks Cahiers Forma Aktua de bundel: Les Hommes. Hierin
biedt Joanna Paszkiewicz ons zevenendertig stukjes schrijfkunst aan. Het is mij onbekend hoe en wanneer deze tot stand zijn gekomen. Jammer is het echter wel om te moeten vaststellen, dat het Nederlands op veel te veel plaatsen dubbel en dwars rammelt. Overbodig om alle voorbeelden hier op te noemen. Echt waar het is om te huilen. Hadden Joanna Paszkiewicz en de samensteller van de bundel daar niet beter op kunnen letten? Och, soms kan dergelijk taalgebruik veel zeggingskracht bezitten!
In de bundel kom ik als voorstander van het consequent hanteren van de leestekens niet aan mijn trekken. Bovendien vind ik, dat daar waar een hoofdletter moet worden neergezet er ook één komt te staan. Het stelselmatig versieren van bijzinnen, die op een nieuwe regel beginnen, met een hoofdletter is voor mij iets wat in het geheel niet hoeft.
Waaronder valt het werk van Joanna Paszkiewicz nu te rangschikken? Het is – op de twee laatste stukken na – dat van het vrije gedicht. De door haar gehanteerde zinnen in de gedichten hadden echter evengoed allemaal mooi achter elkaar kunnen worden geplaatst. Er zou dan per gedicht een aardig stukje poëtisch proza zijn ontstaan. Laat ik het er maar op houden, dat het werk van haar in deze bundel poëza of proëzie kan worden genoemd.

Na deze paar kanttekeningen ga ik mij nu maar inhoudelijk met het werk van Joanna Paszkiewicz bezig houden. Deze kleine vrouw met glimlach op haar gezicht verkent op haar wijze de wereld om haar heen. Zij neemt van alles waar. Hiervan laat zij ons in mededelingetjes, uitroepen, vaststellingen, overtuigingen, ... kennismaken.
In de inleiding schrijft zij:
“Ik zie twee werelden – één van voor de Muur en een tweede van na de Muur. Ik zie dus een dubbele realiteit.” Materieel gezien bestaat de muur, die Joanna Paszkiewicz bedoelt, niet meer. De invloed van het toenmalig bestaan ervan is wel in haar bewustzijn blijven hangen en bepaalt mede de keuze van haar onderwerpen. Nee, die komen niet uit één of andere fantasiewereld voort. Bij haar gaat het over vluchten, noodlot, dood, ... Echter de muziek wordt niet vergeten.
In haar werk probeert zij ons uit de alledaagse sleur wakker te houden door te schrijven over grotere of kleinere onrechtvaardigheden, ongemakken, verdriet, ... en ook over ogenblikjes van geluk. Zwartgallig is zij niet. Sarcasme klinkt niet uit haar mond. Zij wil ons alleen maar laten zien wat er zo op deze wereld wel aan vreemde gebeurtenissen – kleinere en grotere – plaats hebben gevonden. En dan gaat het niet om zaken als “de zwarte poes slaapt” maar voor mij meer om de samenhang van verdriet en vreugde, haat en liefde, onrechtvaardig- en rechtvaardigheid, dood en leven. Steeds maar weer – met een container vol tranen – komt bij mij tijdens het lezen van Joanna Paszkiewicz´s werk de vraag omhoog: hoe gedraagt de mens zich tegenover zijn medemens/omgeving. Is deze in staat zich zelf en ook de ander te begrijpen. Of zijn wij allen maar vreemden voor elkaar?
Vaak deelt zij ons alleen maar iets constaterends mee, zoals:de zon ging vandaag rood onder; ik ben op vakantie en mijn hond is dood; zijn reis zal zeker lang zijn, maar er zit weinig in zijn koffer: de Engelsen zijn uitstekende piloten; en hij zit hier ...
Op het einde van een stuk poëza/proëzie van haar schotelt Joanna Paszkiewicz ons wel eens een wending voor: “Ik ben gelukkig.” Na het laatste konijn komt de bevrijding. (Zij vertelt ons niet welke bevrijding, maar er zal beslist één komen. En dan hoeven de konijnen zeker niet meer worden opgehangen).
Wat ik in het werk van Joanna Paszkiewicz proef is het verlangen naar een andere, betere wereld. Wat ik mis, is de directe gevoelsuiting. Bij zoveel leed en ongemak barst zij in dit werk niet in verdriet en woede uit. Over haar innerlijk leven komt men weinig of beter gezegd niets te weten. Beschrijvend vertelt zij ons, dat de foto van James nu naast de computer van John staat.
Joanna Paszkiewicz had toch zinnebeeldig gezien haar zielenroerselen schrijvend uit haar lijf kunnen schreeuwen. Echter deze kleine vrouw met glimlach op haar gezicht verkent op haar wijze de wereld om haar heen.

Eénmaal aan de bundel begonnen, was ik steeds weer nieuwsgierig naar het volgende stuk poëza/proëzie. Nu de winter niet meer zo ver weg is, een gedicht over een ongemak. De eerste versie staat in de bundel, de tweede en de derde heb ik naar aanleiding daarvan gemaakt.

WINTERHANDEN

Hij zegt: “Ik heb het koud”
En hij vestigt mijn aandacht
Op zijn handen
Kleine handen
Omdat hij klein is en slank

Hij verbaast mij
“Hoezo? Hoeveel jaar geleden bent u uit Jakarta
gekomen?”
“Vijftig jaar” – zegt hij met een glimlach
En vestigt opnieuw
Mijn aandacht op zijn handen, winterhanden

WINTERHANDEN

Hij zegt:
“Ik heb het koud.”
Op zijn handen maakt hij
mij opmerkzaam.
Kleine handen.
Slank en niet groot
is hij.

Ik kijk hem verwonderd aan.
“Waarom.., en hoe lang bent u al
uit Jakarta weg?”
“Vijftig jaar,” zegt hij met een
glimlach.
Opnieuw maakt hij mij
opmerkzaam op zijn handen.
Winterhanden.

WINTERHANDEN

Hij zegt:
“Ik heb het koud.”
Op zijn handen vestigt hij
mijn aandacht.
Kleine handen.
Slank is hij en niet groot
van postuur.

Hij doet mij versteld staan.
“Waarom.., en hoe lang is het geleden,
dat u uit Jakarta bent gekomen?”
“Vijftig jaar,” zegt hij met een
glimlach.
Opnieuw vestigt hij mijn aandacht
op zijn kleine handen.
Winterhanden.


Na de winter wordt het weer lente – die winterhanden zijn dan verleden tijd. Ik spreek echter nu alvast de wens uit, dat er spoedig weer een bundel van Joanna Paszkiewicz mag verschijnen. Met haar werk zorgt zij ervoor, dat wij niet weg blijven dromen in een winterslaap, niet versuffen in de sleur van het alledaagse leven.


FOLKERT SIERTS

(Dit artikel is in februari 2011 geschreven. Verschenen in Forma Aktueel 95)